Frequently Asked Questions

Woonwerkverkeer

Algemeen

Privévoertuig

Moto/scooter

Fiets

Openbaar vervoer

Carpool

Andere verplaatsingen

Telematica

Voordeel van alle Aard

Bedrijfswagen

Verzekeringen

Brandstof

Voordeel van Alle Aard (VAA) : compleet dossier


Woonwerkverkeer

Algemeen

Wat is woon-werkverkeer?

Woon-werkverkeer is de verplaatsing tussen uw woonplaats en de vaste plaats waar u werkt. Daaronder vallen dus niet de verplaatsingen die u tijdens uw werk doet. Als u bv. tijdens uw werk naar een klant rijdt, dan is dat puur werkverkeer.

Woon-werkverkeer wordt beschouwd als een privéverplaatsing waarvoor u zelf de kosten draagt. Soms zal uw werkgever u een vergoeding voor de gemaakte kosten betalen. Die vergoeding kan (gedeeltelijk) vrijgesteld worden van belasting.

Terug naar boven ↑

Als ik een omweg maak om mijn kinderen naar school te brengen, telt dat dan mee als woon-werkverkeer?

Neen. Elke bijkomende afstand die u aflegt om persoonlijke redenen (bv. om uw kinderen naar school of naar de crèche te brengen of ze af te halen) is geen woon-werkverkeer.

Terug naar boven ↑

Als ik niet over een bedrijfswagen beschik, doe ik dan beter een beroep op het wettelijk forfait of kies ik ervoor mijn werkelijke kosten te bewijzen?

Als werknemer heeft u automatisch recht op het algemene kostenforfait voor de kosten (onder andere die voor uw verplaatsingen) die u gemaakt heeft om uw beroepsactiviteit te kunnen uitoefenen. U kunt er ook voor kiezen om uw werkelijke kosten te bewijzen, als die hoger zijn dan het algemene forfait.

Terug naar boven ↑

Wat verstaat men onder wettelijk forfait?

Het forfait, ook het “wettelijk forfait” genoemd, dekt alle beroepskosten, dus ook die met betrekking tot het beroepsmatige gebruik van uw auto. Maar bijvoorbeeld ook het abonnement van het openbaar vervoer voor de verplaatsing naar uw werk, de inrichting van de ruimtes in uw woning die u voor uw beroep gebruikt, of de aankoop van materiaal en literatuur die u zelf bekostigt.

Iedereen heeft standaard recht op forfaitair berekende kosten. Die kosten moet u niet bewijzen.

Zij worden berekend volgens percentages die stijgen per inkomensschijf:

Voorbeeld voor de oefening Aanslagjaar 2015 – inkomsten 2014

Inkomsten Forfaitair kostenpercentage
Van 0,01 tot 5.710 euro 28,7%
Van 5.710 tot 11.340 euro 10%
Van 11.340 tot 18.880 euro 5%
Vanaf 18.880 euro 3%

De forfaitaire beroepskosten bedragen maximum 3.950 euro.

Voor bedrijfsleiders worden de forfaitaire kosten berekend door een percentage van 3% toe te passen op het volledige beroepsinkomen en dat met een maximum van 2.370 euro.

Terug naar boven ↑

Wat verstaat men onder werkelijke kosten?

Ongeacht uw beroep, kunt u steeds kiezen voor de aftrek van uw werkelijke beroepskosten. Voor die kosten moet u dan wel bewijzen dat u ze werkelijk gemaakt heeft en dat u ze ook zelf betaald heeft. U kunt dan 2 soorten kosten voor uw beroepsmatige verplaatsingen fiscaal aftrekken.

  • De kosten van uw woon-werkverkeer
    Voor de wagen, de motor en het openbaar vervoer worden die kosten forfaitair geraamd op 0,15 euro per afgelegde km.
    Voor de fiets worden die kosten forfaitair geraamd op 0,22 euro (aanslagjaar 2015, inkomsten 2014) per afgelegde km.
  • De kosten van andere beroepsverplaatsingen.
    Die kosten zijn aftrekbaar voor 75%.
    Het gaat hier bijvoorbeeld om kosten voor de bezoeken van dokters aan hun patiënten, van handelaars aan hun klanten …

Opgelet!

Als u een vergoeding voor transportkosten krijgt van uw werkgever dan moet u die aangeven in uw aangifte in code 1254/2254. De vergoeding voor openbaar vervoer is helemaal vrijgesteld van belastingen. De vergoeding voor andere vervoermiddelen is vrijgesteld tot 380 euro (oefening aanslagjaar 2015, inkomsten 2014).

Als u uw werkelijke kosten bewijst zijn die vergoedingen niet meer vrijgesteld. Ze worden dan samen met uw inkomen belast.

Om te weten wat voor u de beste optie is, kunt u een simulatie maken in Tax-on-Web of TaxCalc.

Terug naar boven ↑

Privévoertuig

Welke autokosten van het woon-werkverkeer zijn fiscaal aftrekbaar als ik kies voor de aftrek van mijn werkelijke kosten?

Als u kiest voor de aftrek van uw werkelijke beroepskosten mag u voor de autokosten van uw woon- werkverkeer, onder bepaalde voorwaarden, een forfaitair bedrag van 0,15 euro per afgelegde kilometer aftrekken.

Dit forfait omvat alle rechtstreekse en onrechtstreekse kosten met betrekking tot het gebruik van uw voertuig voor deze verplaatsingen. Die kosten zijn:

  • de afschrijving van het voertuig en van alle toebehoren en uitrusting zoals de radio, het schuifdak, de lpg-installatie …
  • de verzekeringspremie
  • de verkeersbelastingen
  • de huur of afschrijving van een garage
  • de kosten voor brandstof, olie en smeermiddelen
  • de onderhoudskosten
  • de kosten voor het wassen van het voertuig
  • de kosten voor technische controle
  • de parkeerkosten
  • de bijdragen aan organisaties voor pechverhelping
  • de sleepkosten

Het forfait omvat echter niet de financieringskosten en de kosten van een mobilofoon (carkit met gsm, smartphone …).

Terug naar boven ↑

Welke zijn de voorwaarden om recht te hebben op de forfaitaire aftrek van 0,15 euro per afgelegde kilometer voor het woon-werkverkeer?

Er zijn 3 voorwaarden om recht te hebben op de forfaitaire aftrek van 0,15 euro per afgelegde kilometer:

  1. De verplaatsingen
    Het forfait van 0,15 euro is uitsluitend van toepassing op de verplaatsingen die u aflegt tussen uw woonplaats en uwvaste plaats van tewerkstelling, d.w.z. de plaats waar u uw beroepswerkzaamheid uitoefent, organiseert, leidt of bestuurt. Het kan hier gaan om een kantoor, een fabriek, een werkplaats, een winkel, een praktijk …Opgelet!
    Elke bijkomende afstand die u aflegt om persoonlijke redenen (bv. omdat u een omweg maakt om uw kinderen naar school te brengen en/of ze af te halen) wordt niet beschouwd als woon-werkverkeer.
    Als u het woon-werktraject meer dan één maal per dag aflegt (bv. omdat u ’s middags thuis gaat eten), geldt het forfait van 0,15 euro in principe voor elk van die trajecten. Zorg er wel voor dat u kunt bewijzen dat u deze verplaatsingen daadwerkelijk heeft afgelegd.
    Als u zich achtereenvolgens naar verschillende vaste plaatsen van tewerkstelling begeeft (bv. een leraar die in verschillende scholen les geeft), is het forfait alleen van toepassing op de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaatsen van tewerkstelling. Voor de verplaatsingen tussen de verschillende vaste plaatsen van tewerkstelling (bv. tussen twee scholen) is het stelsel van de ‘andere beroepsmatige autokosten’ van toepassing.
  2. Het type voertuig
    Het gebruikte voertuig moet een personenwagen, een auto voor dubbel gebruik of een minibus zijn. Bestelwagens, lichte vrachtauto’s, vrachtauto’s, tractoren, aanhangwagens, opleggers, autobussen, autocars …. vallen niet onder deze aftrekregeling.
  3. De eigendom van het voertuig
    Het voertuig moet als uw eigendom kunnen worden beschouwd. Dat is het geval wanneer het:

    • uw eigendom is
    • op uw naam is ingeschreven bij de DIV
    • eigendom is van uw huwelijkspartner, uw wettelijk samenwonende partner, uw vader of moeder en op zijn of haar naam is ingeschreven bij de DIV
    • door u duurzaam geleased of gehuurd wordteigendom
    • is van uw werkgever of van uw vennootschap

Belangrijke opmerking

In de eerste drie gevallen kan het forfait ook toegekend worden aan uw echtgenoot of aan uw kind(eren) als die de auto gebruiken voor hun ‘woon-werkverplaatsingen’.

Als u met meerderen het traject aflegt, mag slechts één persoon dit forfait toepassen!

De andere passagiers kunnen eventueel de kosten van hun woon-werkverkeer aftrekken ten belope van 0,15 euro per km, maar in dat geval is het maximum aantal kilometer tussen de woonplaats en de werkplaats beperkt tot 100 km (enkel).

Terug naar boven ↑

Hoe moet ik mijn autokosten voor het woon-werkverkeer verantwoorden?

Als u alleen uw beroepsmatige autokosten voor uw woon-werkverkeer aftrekt, moet u:

  • kunnen aantonen dat u uw auto wel degelijk voor het woon-werkverkeer heeft gebruikt.
  • het aantal kilometer dat u voor het woon-werkverkeer heeft afgelegd, kunnen bewijzen.

Dat bewijs kunt u bijvoorbeeld leveren met een attest van het aantal werkdagen en de onderhoudsfacturen van het voertuig waarop de kilometerstand vermeld staat.

U moet echter het werkelijke bedrag van de gemaakte kosten niet bewijzen.

Terug naar boven ↑

Ik ben werknemer, ik gebruik mijn wagen om naar het werk te gaan. Mijn werkgever betaalt mijn kosten voor het woon-werkverkeer geheel of gedeeltelijk terug. In welk vak moet ik die vergoeding aangeven? Is die vergoeding vrijgesteld?

Als u gebruik maakt van een ander vervoermiddel dan het openbaar vervoer of het door uw werkgever georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, dan zal uw werkgever het bedrag van de ontvangen vergoedingen normaal gezien in het vak 17, c, op uw loonfiche vermelden.

U moet deze vergoeding aangeven naast code 1254 / 2254.

Is die vergoeding vrijgesteld?

Eerste geval: u kiest voor het forfait

De vergoedingen zijn vrijgesteld ten belope van maximum 380 euro (aanslagjaar 2015, inkomsten 2014). Het bedrag moet worden vermeld naast code 1255 / 2255.

Voorbeeld 1:

Juffrouw Moens gebruikt haar eigen voertuig om zich naar haar werk te begeven. Van haar werkgever ontvangt ze een tussenkomst van 2.000 euro als terugbetaling van haar verplaatsingskosten. Op haar loonfiche 281.10 is dit bedrag vermeld in vak 17, c, “Ander vervoermiddel”.

Juffrouw Moens kiest niet voor de aftrek van haar werkelijke beroepskosten.

Juffrouw Moens moet dus aangeven :

naast code 1254: 2.000 euro

naast code 1255: 380 euro

De vergoedingen als terugbetaling van verplaatsingskosten zijn dus gedeeltelijk vrijgesteld.

Voorbeeld 2:

Juffrouw Moens gebruikt haar eigen voertuig om zich naar haar werk te begeven. Van haar werkgever ontvangt ze een tussenkomst van 120 euro als terugbetaling van haar verplaatsingskosten. Op haar loonfiche 281.10 is dit bedrag vermeld in vak 17, c, “Ander vervoermiddel”.

Juffrouw Moens kiest niet voor de aftrek van haar werkelijke beroepskosten.

Juffrouw Moens moet dus aangeven:

naast code 1254: 120 euro

naast code 1255: 120 euro

De vergoedingen als terugbetaling van verplaatsingskosten zijn dus volledig vrijgesteld.

Tweede geval: u kiest voor de aftrek van uw werkelijke kosten

De vergoedingen zijn NIET vrijgesteld. U mag niets vermelden tegenover code 1255 / 2255.

Als u kiest voor de aftrek van uw werkelijke beroepskosten, bedragen de kosten voor het woon-werkverkeer afgelegd met uw eigen voertuig 0,15 euro per kilometer.

Voorbeeld

Meneer Clerinx is eigenaar van een voertuig dat hij gebruikt om zich naar zijn werk te begeven. Hij woont in Gent en werkt in Brussel. Hij heeft 220 dagen gewerkt in 2014. De afstand heen en terug van zijn woonplaats naar zijn plaats van tewerkstelling bedraagt 120 km. Hij krijgt een vergoeding van 2.200 euro van zijn werkgever. Op zijn loonfiche 281.10 is dat bedrag vermeld in vak 17, c, “Ander vervoermiddel”.

Af te trekken: 220 dagen x 120 km x 0,15 euro = 3.960 euro.

Vrijgestelde vergoeding: 0 euro

Belastbare vergoeding: 2.200 euro

Terug naar boven ↑

Moto/scooter

Welke beroepsmatige verplaatsingskosten zijn voor motorrijders fiscaal aftrekbaar?

Zowel de woon-werkverplaatsingen als de andere beroepsmatige verplaatsingen met uw motorfiets zijn fiscaal aftrekbaar.

Voor uw woon-werkverkeer heeft u de keuze tussen het forfait van 0,15 euro per afgelegde kilometer en het bewijzen van uw werkelijke kosten (kosten woon-werkverkeer, verzekeringskosten, verkeersbelasting, brandstof, kosten voor beschermende motoruitrusting…).

Voor uw andere beroepsmatige verplaatsingskosten gelden dezelfde toepassingsregels als voor de beroepsmatige verplaatsingen (buiten het woon-werkverkeer) met de auto. De verplaatsingskosten met de motor zijn volledig aftrekbaar.

Terug naar boven ↑

Is de motoruitrusting altijd aftrekbaar?

Als u voor uw woon-werkverkeer kiest voor het forfait van 0,15 euro wordt verondersteld dat al uw kosten begrepen zijn in dit forfait, dus ook de kosten voor uw motoruitrusting. U kunt ze bijgevolg niet meer apart aftrekken.

Als u kiest voor de aftrek van uw werkelijke kosten, is uw beschermende motoruitrusting aftrekbaar wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de beschermende motoruitrusting is gekocht in een motorspeciaalzaak
  • het gaat om beschermende en specifieke motoruitrusting of thermische onderkledij
  • Op de factuur moet het merk, het model en een omschrijving van de motoruitrusting vermeld zijn

Terug naar boven ↑

Ik ben motorrijder. Wat kan ik afschrijven en hoe moet ik dat doen?

Als u kiest voor de aftrek van uw werkelijke kosten, kunt u zowel uw motorfiets als uw beschermende motoruitrusting afschrijven. Een nieuwe motorfiets is in principe afschrijfbaar op 5 jaar, de uitrusting op 3 jaar. Degressief afschrijven is toegelaten.

Terug naar boven ↑

Fiets

Wat is een fietsvergoeding?

Een fietsvergoeding is een kilometervergoeding die de werkgever geeft aan zijn personeelsleden die hun woon-werkverplaatsingen geheel of gedeeltelijk met de fiets doen. In sommige sectoren (zoals de openbare sector) kan een fietsvergoeding ook worden toegekend voor dienstverplaatsingen die per fiets gebeuren.

De fietsvergoeding is een gunst. De werkgever kan zelf beslissen om ze al dan niet te geven.

De vergoeding komt tussen in de kosten van de fietser maar moet ook meer werknemers aanzetten hun fiets te gebruiken.

Terug naar boven ↑

Hoe wordt mijn fietsvergoeding belast?

De fietsvergoeding is vrijgesteld van inkomstenbelasting tot 0,22 euro per kilometer (aanslagjaar 2015, inkomsten 2014).

Als uw werkgever u bv. 0,15 euro per kilometer geeft, zijn die volledig vrijgesteld van belastingen.
Als u bv. 0,25 euro per kilometer krijgt, zijn de eerste 0,22 euro vrijgesteld van belastingen. De overige 0,03 euro zijn in principe wel belastbaar (want ze worden beschouwd als een salaris).

U kunt ook een fietsvergoeding krijgen als u de fiets combineert met het openbaar vervoer (trein, bus of tram), zelfs al is er een tussenkomst voor bv. uw treinabonnement.

U kunt de fietsvergoeding en een tussenkomst in de kosten voor het openbaar vervoer niet cumuleren voor hetzelfde traject en voor dezelfde periode. Voor hetzelfde traject kunt u immers maar een keer vergoed worden. Dus alleen voor het traject dat u effectief met de fiets aflegt tussen uw woonplaats en het treinstation heeft u recht op een fietsvergoeding.

De werkgever moet  ervoor zorgen dat hij met zekerheid kan bepalen hoeveel verplaatsingen u effectief met de fiets heeft gedaan en welk deel van de vergoeding dus vrijgesteld is van belastingen.

Het is ook de werkgever die moet bepalen welke weg een werknemer met de fiets mag afleggen. De kortste weg is immers niet altijd de veiligste.

Om uw gebruik van de fiets te bewijzen, gelden de gewone bewijsmiddelen met uitzondering van de eed. Die bewijzen kunnen bestaan uit een ticket van een bewaakte fietsenstalling, een vermoeden, een getuigenis …

Voorbeeld
U rijdt elke dag 5 km met de fiets naar uw werk. Uw werkgever geeft u een vergoeding van 0,22 euro per km. U ontvangt dus elk jaar 0,22 (euro) x 5 (km) x 2 (heen en terug) x 220 effectieve werkdagen = 484 euro.
Als u elke dag 20 kilometer aflegt om naar uw werk te gaan, zult u 936 euro ontvangen, vrijgesteld van belastingen.

Terug naar boven ↑

Mijn werkgever geeft alle personeelsleden dezelfde vergoeding voor verplaatsingskosten. Ik ga naar het werk met de fiets. Zal mijn vergoeding geheel of gedeeltelijk vrijgesteld worden van belastingen?

Neen, de fietsvergoeding wordt enkel vrijgesteld van belastingen als zij specifiek en expliciet wordt toegekend voor het gebruik van de fiets voor de woon-werkverplaatsingen. Ze moet dus berekend zijn op de effectief afgelegde trajecten. Een forfaitaire vergoeding kan nooit beschouwd worden als een fietsvergoeding die vrijgesteld is van belastingen.

Terug naar boven ↑

Ik gebruik de fiets alleen tijdens de zomer om naar mijn werk te gaan. Tijdens de winter neem ik de bus. Welke fietsvergoeding kan ik krijgen?

Voor de afgelegde kilometers tijdens de zomer heeft u in principe recht op een fietsvergoeding. Tijdens de winter neemt u de bus en ontvangt u natuurlijk geen fietsvergoeding.

Het staat de werkgever wel vrij bijkomende voorwaarden rond het fietsgebruik op te leggen, bv. minstens de helft van de werkdagen met de fiets komen.

Terug naar boven ↑

Ik gebruik mijn fiets om naar het treinstation te rijden. Vervolgens neem ik de trein tot aan een ander station waar ik met mijn andere (gestalde) fiets naar mijn werk rijd. Op welke vergoeding heb ik recht?

U kunt een vergoeding krijgen, zowel voor het gedeelte tussen uw huis en het station als tussen het station en uw werkplaats. Deze vergoeding staat los van degene die u eventueel krijgt voor uw treinabonnement waarvoor andere belastingregels gelden.

Terug naar boven ↑

Mijn werkgever kent mij een fietsvergoeding toe van 0,25 euro per km. Is die vrijgesteld van belastingen?

Tot 0,22 euro per km is de fietsvergoeding vrijgesteld van belastingen (aanslagjaar 2015, inkomsten 2014). De bijkomende 0,03 euro per km zijn daarentegen wel belastbaar.

Terug naar boven ↑

Hoe vermeld ik mijn fietsvergoeding in mijn belastingaangifte?

Als de fietsvergoeding die u ontvangt niet hoger is dan 0,22 euro/km, moet u die niet aangeven in uw belastingaangifte. Ontvangt u een hogere vergoeding, dan zult u het verschil moeten aangeven en daarop belast worden.

Opgelet!
Als uw werkgever uw vrijgestelde fietsvergoeding op uw loonfiche 281.10 ingevuld heeft in punt 18, c (‘Bijdrage in de reiskosten – Ander vervoermiddel’) dan moet u hem vragen dat te verbeteren. Anders zal u belast worden op dat bedrag.

Terug naar boven ↑

Openbaar vervoer

Mijn werkgever betaalt mijn abonnement op het openbaar vervoer terug. Is die vergoeding belastbaar?

Neen. Als uw werkgever de kosten van uw bus-, metro- of treinabonnement gedeeltelijk of volledig terugbetaalt, dan is die vergoeding helemaal vrijgesteld van belastingen.

Opgelet!
Als u uw werkelijke kosten bewijst in uw belastingaangifte dan wordt de hele vergoeding wél belastbaar.

Terug naar boven ↑

Kan ik mijn werkelijke kosten bewijzen als mijn werkgever mijn abonnement betaalt (derde betaler systeem)?

Ja. U kunt uw woon-werkverkeer altijd opnemen in de werkelijke kosten, ook als uw werkgever het abonnement voor u betaald heeft. U kunt dat doen aan 0,15 euro per km. Om daarmee boven het bedrag van de forfaitaire kosten uit te komen, moet u wel een lang dagelijks traject afleggen.

Opgelet!
Denk er wel aan dat, als u uw werkelijke kosten bewijst in uw belastingaangifte, de hele vergoeding van uw werkgever belastbaar wordt.

Om te weten wat voor u de beste optie is, kunt u een simulatie maken in Tax-on-Web of TaxCalc.

Terug naar boven ↑

Hoe moet ik de terugbetaalde kosten voor openbaar vervoer aangeven in mijn belastingaangifte?

Uw werkgever zal de vergoeding voor het abonnement op het openbaar vervoer, die hij u betaalt, of die hij rechtstreeks aan de vervoersmaatschappij betaalt, vermelden op uw loon fiche 281.10 onder de rubriek 17, a (“Openbaar vervoer”).

In uw belastingaangifte neemt u dat bedrag over naast de code 1254/2254. Als u er niet voor kiest om uw werkelijke kosten te bewijzen, dan mag u het volledige bedrag ook opnemen naast code 1255/2255, om zo de vrijstelling te vragen.

Terug naar boven ↑

Carpool

Wat is carpoolen?

Met carpooling wordt bedoeld dat tenminste twee personen samen rijden om hun woon-werkverplaatsingen te doen.

U kunt op eigen initiatief carpoolen. In dat geval gelden de normale regels voor de aftrek van uw beroepskosten en de belasting van een vergoeding die u van uw werkgever krijgt.

Als u carpoolt in het kader van het “georganiseerd gemeenschappelijk vervoer” (GGV) moet er een overeenkomst (individueel of collectief) bestaan tussen u en uw werkgever of een groep van werkgevers. In die overeenkomst, die in de praktijk meestal in een reglement wordt gegoten, staan de voorwaarden en regels voor carpooling vermeld. Elke werknemer die carpoolt, tekent een verklaring op eer dat hij carpoolend naar het werk komt.

Terug naar boven ↑

Welke belastingvoordelen biedt carpoolen?

Als u op eigen initiatief carpoolt, gelden de normale regels voor de aftrek van uw beroepskosten en de belasting van een vergoeding die u van uw werkgever krijgt.

Als u carpoolt in het kader van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, heeft u recht op specifieke fiscale voordelen:

  • hogere belastingvrijstelling voor de vergoeding voor woon-werkverkeer als u kiest voor de forfaitaire beroepskosten
  • als u uw beroepskosten bewijst , aftrek van 75% van de kosten voor de omweg die u maakt om mensen op te pikken, naast de gewone kostenaftrek voor de woon-werkverplaatsing
  • in heel specifieke gevallen: een vrijstelling van de belasting op een bedrijfswagen als u daarover beschikt

Terug naar boven ↑

Wat zijn, bij carpoolen, mijn voordelen als chauffeur?

U carpoolt in het kader van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer met uw eigen wagen en u krijgt een vergoeding van uw werkgever

Als u kiest voor de forfaitaire beroepskosten is de vergoeding die u van uw werkgever krijgt voor het carpoolen vrijgesteld voor maximum de prijs van een treinabonnement eerste klas voor dezelfde afstand. Als u een vergoeding krijgt voor uw individuele woon-werkverplaatsing dan is die voor 380 euro vrijgesteld (inkomsten 2014, aanslagjaar 2015).

Als u ervoor kiest om uw werkelijke kosten te bewijzen dan mag u de carpoolkilometers rekenen aan 0,15 euro per km. Voor de omweg die u maakt om uw collega(‘s) op te pikken mag u de werkelijke autokosten voor het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, beperkt tot 75%, inbrengen. De volledige vergoeding van uw werkgever is dan belastbaar. Er is geen vrijstelling.
U carpoolt met een bedrijfswagen en u krijgt geen vergoeding van uw werkgever

In de meeste gevallen zult u uw bedrijfswagen ook voor privé-verplaatsingen mogen gebruiken. In dat geval zal u een belastbaar voordeel van alle aard toegekend worden. Uw werkgever zal het voordeel geheel (als u uw bedrijfswagen alleen voor uw individueel woon-werkverkeer gebruikt) of gedeeltelijk (als u uw bedrijfswagen buiten voor uw woon-werkverkeer ook voor echte privé-verplaatsingen gebruikt) op uw loonfiche 281.10 vermelden in vak 17, c “Bijdrage in de reiskosten – Ander vervoermiddel”. Daarvoor krijgt u een vrijstelling van 380 euro (inkomsten 2014, aanslagjaar 2015) als u kiest voor de forfaitaire beroepskosten.

Als u uw bedrijfswagen gebruikt voor het carpoolen in het kader van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer waarbij het aandeel van het carpoolen minstens 80% van het traject bedraagt en u de wagen niet mag gebruiken voor echte privéverplaatsingen, dan is dat een vrijgesteld sociaal voordeel. U kunt wel nog uw beroepskosten bewijzen aan 0,15 euro per km. De afstand tussen uw woonplaats en uw vaste plaats van tewerkstelling mag in dat geval overigens maximum 100 km zijn.

Terug naar boven ↑

Wat zijn, bij carpoolen, mijn voordelen als passagier?

Als u kiest voor de forfaitaire kosten is de vergoeding die u krijgt van uw werkgever voor het carpoolen in het kader van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer vrijgesteld voor maximum de prijs van een treinabonnement eerste klas voor dezelfde afstand.

Als u ervoor kiest om uw werkelijke kosten te bewijzen, dan mag u de carpoolkilometers rekenen aan 0,15 euro per km (beperkt tot 100 km enkel) of u mag 75% van de kosten die u effectief aan de chauffeur betaalt, inbrengen. U moet dan wel kunnen bewijzen dat u die kosten effectief betaalt. De vergoeding die u krijgt van uw werkgever is dan volledig belastbaar. Er is dan geen vrijstelling.

Terug naar boven ↑

Ik carpool met iemand van een ander bedrijf. Heb ik ook recht op een belastingvoordeel?

Om recht te hebben op het belastingvoordeel moeten de personen die samen carpoolen niet noodzakelijk in dezelfde onderneming werken. Uw carpoolpartner kan ook gewoon uw echtgenoot of partner zijn. Als deze vorm van spontane carpooling door de werkgever contractueel wordt vastgelegd, kunnen beide partners het fiscaal voordeel genieten. Een overeenkomst voor georganiseerd gemeenschappelijk vervoer kan ook door meerdere werkgevers samen gesloten worden.

Terug naar boven ↑

Word ik als chauffeur belast op de vergoeding die ik krijg van mijn carpoolpassagiers?

Dikwijls gebeurt het dat de passagier de chauffeur een vergoeding betaalt om de kosten te dekken. Die vergoeding is niet belastbaar als de samengetelde bijdragen van alle passagiers niet meer bedragen dan de kilometervergoeding die de staat toekent aan haar personeel voor dienstverplaatsingen (0,3461 euro per kilometer van 1 juli 2013 tot 30 juni 2014, en 0,3468 euro per kilometer van 1 juli 2014 tot 30 juni 2015). In dat geval moet u de vergoeding niet aangeven en wordt ze dus ook niet belast.

Terug naar boven ↑

Ik heb niet het volledige jaar gecarpoold. Heb ik recht op een belastingvoordeel?

Het is niet nodig om het volledige jaar te carpoolen om recht te hebben op de voordelen. Als u aanspraak maakt op een vrijstelling, kunt u die berekenen op basis van de periode waarin u effectief heeft gecarpoold.

Als u bijvoorbeeld gedurende 4 maanden heeft gecarpoold, dan zal uw werkgever 1/3 van uw woon-werkvergoeding in de rubriek 17, b van uw fiscale fiche plaatsen. Dit bedrag vult u in op uw belastingaangifte naast code 1255/2255). Uw werkgever zal de overige 2/3 bij de rubriek 17, c van uw fiscale fiche plaatsen. U heeft dan recht op 380 euro (inkomsten 2014, aanslagjaar 2015) forfaitaire vrijstelling (voor het bedrag vermeld in 17, c) en een vrijstelling van maximum de prijs van een treinabonnement eerste klas voor dezelfde afstand (voor het bedrag vermeld in 17, b) voor de gereden afstand als u kiest voor de forfaitaire beroepskosten.

Terug naar boven ↑

Ik carpool maar enkele dagen per week. Heb ik recht op een belastingvoordeel?

Ook in dit geval heeft u recht op een belastingvoordeel. Uw werkgever zal, om uw vrijstelling te berekenen, het aantal dagen waarop u heeft gecarpoold optellen.

Als u 3 dagen per week carpoolt, zal hij uw woon-werkvergoeding op de volgende manier op uw fiscale fiche noteren:

  • 2/5 in de gebruikelijke rubriek woon-werkvergoeding (17, c)
  • 3/5 in de rubriek gemeenschappelijk georganiseerd transport (17, b)

Op het bedrag vermeld in rubriek 17, c kunt een maximale vrijstelling van 380 euro krijgen (inkomsten 2014, aanslagjaar 2015). Het bedrag dat zich bevindt in de rubriek 17, b kunt u volledig vrijstellen in uw belastingaangifte.

Opgelet!

Zelfs als uw werkgever het volledige bedrag van de vergoeding in rubriek 17, c plaatst, kunt u toch nog de vrijstellingen van de vergoeding vragen. U moet daarvoor dan zelf bewijzen dat u de verplaatsingen heeft gedaan in het kader van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer of dat u het openbaar vervoer heeft gebruikt.

Terug naar boven ↑

Andere verplaatsingen

Wat verstaat men onder andere beroepsverplaatsingen?

De andere beroepsverplaatsingen zijn alle verplaatsingen afgelegd in België of in het buitenland die geen woon-werkverkeer en geen privéverkeer zijn.

Het gaat bijvoorbeeld om:

  • het bezoek aan klanten of patiënten
  • de verplaatsing naar de plaats waar u een permanente beroepsopleiding volgt, wanneer die plaats niet dezelfde is als uw plaats van tewerkstelling
  • de verplaatsing naar de garage waar het onderhoud van de wagen plaatsvindt, wanneer u deze wagen voor uw beroep gebruikt

Dit omvat ook de verplaatsing die u doet wanneer u thuis vertrekt en rechtstreeks naar uw klanten gaat, zonder dat u eerst langs uw kantoor of de bedrijfszetel passeert.

Terug naar boven ↑

Welke beroepsmatige autokosten zijn fiscaal aftrekbaar als ik kies voor de aftrek van de werkelijke beroepskosten?

De autokosten die u maakt voor beroepsverplaatsingen zijn aftrekbaar als beroepskosten voor 75% van het beroepsgedeelte.

De 75%-beperking geldt  niet voor de financieringskosten en de kosten van een mobilofoon (carkit met gsm, smartphone …).

Opgelet!
Voor de verplaatsingen voor het woon-werkverkeer worden de kosten forfaitair geraamd op 0,15 euro per km.

Terug naar boven ↑

Voor welke voertuigen geldt de 75%-beperking?

De voertuigen waarvoor de 75%-beperking van de kosten geldt, zijn personenauto’s, auto’s voor dubbel gebruik en minibussen.

De 75%-beperking is van toepassing ongeacht of het voertuig al dan niet uw eigendom is, of het gehuurd of gekocht is.

Terug naar boven ↑

Op welke kosten geldt de 75%-beperking?

De 75%-beperking is van toepassing op de volgende autokosten:

  • de afschrijving van het voertuig en van alle toebehoren
  • de verzekeringspremie
  • de belastingen
  • de brandstofkosten
  • de huur of afschrijving van een garage
  • de onderhoudskosten
  • de kosten voor het wassen van het voertuig
  • de kosten voor technische controle
  • de parkeerkosten
  • de bijdragen aan organisaties voor pechverhelping
  • de sleepkosten

Financieringskosten en kosten van een mobilofoon (carkit met gsm, smartphone, …) zijn volledig aftrekbaar.

Terug naar boven ↑

Hoe moet ik die kosten verantwoorden?

Voor uw beroepsverplaatsingen moet u aan de hand van facturen, nota’s, ontvangstbewijzen… kunnen bewijzen dat zowel het aantal kilometer als het bedrag van de autokosten correct is.

Terug naar boven ↑

Mijn werkgever vergoedt de verplaatsingen die ik met mijn auto voor zijn rekening doe (klanten bezoeken, een congres bijwonen…). Is die terugbetaling van kosten belastbaar?

De kilometervergoeding die uw werkgever u geeft als terugbetaling van de autokosten die u voor zijn rekening heeft gemaakt, is niet belastbaar wanneer zij niet meer bedraagt dan die welke de Staat aan zijn personeel toekent.

Opgelet!

Deze regel geldt echter alleen wanneer het aantal jaarlijks afgelegde kilometers niet abnormaal hoog is (d.w.z. max. 24.000 km per jaar).

Het maximumbedrag van de vergoeding is vastgesteld op :

  • 0,3468 euro per kilometer voor de periode van 1 juli 2014 tot 30 juni 2015
  • 0,3412 euro per kilometer voor de periode van 1 juli 2015 tot 30 juni 2016
  • 0,3363 euro per kilometer voor de periode van 1 juli 2016 tot 30 juni 2017

Voorbeeld:

In 2015 heeft u met uw eigen wagen 6.000 km voor rekening van uw werkgever afgelegd.

Die kosten worden terugbetaald tegen 0,33 euro per km.

De terugbetaling bedraagt dus 6.000 km x 0,33 euro per km = 1.980 euro en is niet belastbaar aangezien zij niet meer bedraagt dan de vergoeding die de Staat aan zijn personeel toekent.

Terug naar boven ↑

Hoe moet ik de aftrekbare kosten van een geleasede auto berekenen?

Als u een auto leaset, moet u in uw jaarlijkse afbetaling een onderscheid maken tussen:

  • de terugbetaling van het geleende kapitaal
  • de intresten op het nog uitstaande kapitaal

Als u kiest voor de aftrek van uw werkelijke beroepskosten kunt u voor het beroepsmatige gebruik (woon-werkverkeer en andere beroepsmatige verplaatsingen) van uw voertuig de intresten van uw leasing aftrekken zonder rekening te houden met de 75 %-beperking of het forfait van 0,15 euro. Die intresten zijn dus volledig aftrekbaar.

Voorbeeld:

70 % van uw autokosten zijn beroepsmatige kosten (zowel woon-werkverkeer als andere beroepsmatige verplaatsingen). U mag dus de intresten van uw leasing x 70 % aftrekken.

U mag ook de afschrijving van uw voertuig aftrekken, maar:

  • het gedeelte van de afschrijving m.b.t. het woon-werkverkeer is begrepen in het forfait van 0,15 euro
  • het gedeelte van de afschrijving m.b.t. de andere beroepsmatige verplaatsingen is beperkt tot 75 %

Terug naar boven ↑

Ik heb een nieuwe auto gekocht. Hoe moet ik de afschrijving berekenen?

1. Basisprincipe

Als u een auto koopt, mag u de totale aankoopprijs van het voertuig niet in één keer aftrekken. U moet de beleggingswaarde (met inbegrip van de btw als u die niet hebt kunnen aftrekken) verdelen over de volledige normale gebruiksduur van uw voertuig. Dat noemt men een afschrijving.

Voorbeeld:

Mijnheer Jansen, werknemer, koopt in 2014 een nieuwe personenwagen. De prijs van het voertuig, btw inbegrepen, bedraagt 20.000 euro. De normale gebruiksduur van het voertuig is 5 jaar.

Mijnheer Jansen heeft in 2014 10.000 km afgelegd met zijn nieuwe wagen. De normale gebruiksduur van zijn voertuig wordt geschat op 5 jaar (wat overeenstemt met een afschrijvingspercentage van 20 %).

De afgelegde kilometers worden als volgt verdeeld:

  • 2.500 km voor privé-doeleinden
  • 2.500 km voor “woon-werkverkeer”
  • 5.000 km voor beroepsverplaatsingen

Aftrekbare afschrijving:

  • voor de privéverplaatsingen: er is geen afschrijving toegestaan
  • voor het “woon-werkverkeer”: de afschrijving die betrekking heeft op die categorie van verplaatsingen valt onder het forfait van 0,15 euro per km. Geen enkele bijkomende afschrijving mag worden afgetrokken
  • voor de beroepsverplaatsingen: 20.000 euro x 20 % x 5.000 km/10.000 km x 7 5% = 1.500 euro

2.  Bijzondere regels

Jaar van aankoop van het voertuig:
U mag het voertuig afschrijven voor een volledig jaar (ongeacht de datum van aankoop).

Als u uw beroepswerkzaamheid start in de loop van het jaar:
U moet het voertuig afschrijven in verhouding tot het aantal maanden dat u tijdens dat jaar uw beroep heeft uitgeoefend (de maand van aanvang wordt voor een volle maand gerekend).

Voorbeeld:

U bent een beroepswerkzaamheid begonnen op 18 augustus 2014.

Op 3 oktober 2014 koopt u een personenwagen voor 17.850 euro (inclusief de niet-aftrekbare btw). In de veronderstelling dat het beroepsgebruik voor andere verplaatsingen dan het woon-werkverkeer gelijk is aan 2/3 en dat de wagen afschrijfbaar is op 5 jaar (of 20% per jaar), zal de jaarlijkse fiscaal aanvaarde afschrijving voor 2014 in principe gelijk zijn aan: 17.850 euro x 2/3 x 20 % x 75 % x 5/12 = 743,75 euro

Voor het jaar van verkoop of van buitengebruikstelling van het voertuig:
Er mag geen afschrijving worden toegepast.

Terug naar boven ↑

Ik koop een tweedehands wagen. Hoe moet ik de afschrijving berekenen?

Een tweedehands wagen moet worden afgeschreven tegen het percentage dat overeenstemt met de vermoedelijke gebruiksduur van de auto.

Voorbeeld:

U koopt in 2014 een tweedehands auto die 4 jaar oud is voor 2.500 euro. U denkt er nog 2 jaar mee te rijden (of 50 % per jaar).
In de veronderstelling dat het beroepsgebruik voor andere verplaatsingen dan het “woon-werkverkeer” gelijk is aan 2/3, zal de jaarlijkse fiscaal aanvaarde afschrijving in principe gelijk zijn aan: 2.500 euro x 2/3 x 50 % x 75 % = 625,00 euro

Voor het jaar van verkoop of buitengebruikstelling van de wagen, mag u voor die wagen geen afschrijving meer toepassen.

Als u in datzelfde jaar een andere auto koopt, mag u die wel afschrijven en dat in principe voor het volledige jaarbedrag.

Terug naar boven ↑

Hoe bereken ik mijn brandstofkosten?

Net als de andere autokosten zijn de brandstofkosten voor de beroepsverplaatsingen (andere dan het “woon-werkverkeer”) voor 75 % aftrekbaar.

In tegenstelling tot de andere autokosten die door middel van facturen, nota’s, ontvangstbewijzen … moeten worden verantwoord, mogen de brandstofkosten forfaitair worden geraamd.

Gemiddeld officieel tarief van de brandstoffen (inclusief btw)

Benzine 95 RON (€/L) 1,5959 €
Benzine 98 RON (€/L) 1,6440 €
Benzine 95 RON E10 (€/L) 1,5659 €
Benzine 98 RON E10 (€/L) 1,6153 €
Diesel 10 ppm (€/L) 1,4158 €
LPG (€/L) 0,5963 €

Voorbeeld forfaitaire raming brandstofkosten:

U heeft in 2014 25.289 km afgelegd voor uw werkgever (andere verplaatsingen dan verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling) die niet worden vergoed.

Uw wagen verbruikt gemiddeld 7 liter per 100 km en de gemiddelde dieselprijs bedroeg 1,4158 euro per liter voor 2014.

De formule die u moet toepassen is de volgende:

25.289 x 7 x € 1,4158 euro / 100 = 2.506,29 euro

Terug naar boven ↑

Wat mag ik aftrekken als ik een financiering heb voor mijn auto?

Als u geld leent om een auto te kopen, moet u in uw maandelijkse afbetaling een onderscheid maken tussen:

  • de afbetaling van het geleende kapitaal
  • de betaalde intresten (ook financieringskosten genoemd)

Als u kiest voor de aftrek van uw werkelijke beroepskosten kunt u voor het beroepsmatige gebruik (woon-werkverkeer en andere beroepsmatige verplaatsingen) van uw voertuig de intresten van uw lening aftrekken zonder rekening te houden met de 75 %-beperking of het forfait van 0,15 euro per km. Deze intresten zijn dus volledig aftrekbaar.
Berekening van de intresten

Als de financierende instelling u geen aflossingstabel heeft bezorgd waarin de betaalde intresten gedetailleerd zijn opgenomen, kunt u zelf het bedrag aan intresten bepalen door van het af te betalen bedrag het werkelijk geleende bedrag af te trekken.

Bv.: lening van 7.500 euro en totaal terug te betalen bedrag 9.000 euro. Duur van de lening: 36 maanden. Het totaalbedrag aan intresten bedraagt dus 1.500 euro, d.w.z. 41,67 euro per maand.

Voorbeeld

Op 1 juli 2014 sluit u een lening van 7.500 euro af om er de aankoop van uw auto mee te financieren. De intresten van deze lening bedragen 1.260 euro voor een periode van 36 maanden. In 2014 bedraagt het bedrag aan betaalde intresten dus 1.260 euro x 6/36 = 210 euro.

70 % van uw autokosten zijn beroepsmatige kosten (zowel woon-werkverkeer als andere beroepsmatige verplaatsingen). Voor 2014 mag u dus het volgende bedrag aftrekken: 210 euro x 70 % = 147 euro.

U mag ook de afschrijving van uw voertuig aftrekken, maar:

  • het gedeelte van de afschrijving m.b.t. het woon-werkverkeer is begrepen in het forfait van 0,15 euro
  • het gedeelte van de afschrijving m.b.t. de andere beroepsmatige verplaatsingen is beperkt tot 75 %

Terug naar boven ↑

Ik rijd met een bedrijfswagen die ik zowel voor de uitoefening van mijn beroep als voor privéverplaatsingen gebruik. Hoe word ik hierop belast?

Als u een bedrijfswagen heeft waarmee u zowel beroeps- als privéverplaatsingen (waaronder woon-werkverkeer) doet, geniet u een belastbaar voordeel. Uw werkgever vermeldt dat voordeel op uw loonfiche 281.10 of 281.20.

Het belastbaar voordeel wordt berekend op jaarbasis met de volgende formule:

Cataloguswaarde van het voertuig x ouderdomspercentage x 6/7 x CO2 -percentage

Het voordeel mag nooit minder bedragen dan 1.250 euro per jaar (inkomsten 2015 – aanslagjaar 2016) of 1.260 euro per jaar (inkomsten 2016 – aanslagjaar 2017).

Als u een eigen bijdrage voor het privégebruik van uw bedrijfswagen betaalt aan uw werkgever, zal hij die bijdrage van het belastbaar voordeel aftrekken.

Opgelet!

Voor de volgende voertuigen kunnen wij geen voordeel van alle aard berekenen, vermits deze voertuigen niet opgenomen zijn in de databank:

  • voertuigen die voor de eerste maal als nieuw ingeschreven werden voor 2002
  • voertuigen die niet op de Belgische markt te koop worden aangeboden

Terug naar boven ↑

Met welke elementen houdt men rekening om het voordeel alle aard te bepalen?

1) de cataloguswaarde en de leeftijd van het voertuig

De cataloguswaarde is de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en werkelijk betaalde btw. Er wordt geen rekening gehouden met kortingen, verminderingen, rabats of restorno’s.

In de berekeningsformule wordt rekening gehouden met 6/7 van de cataloguswaarde.

Om de leeftijd van het voertuig te verrekenen, wordt de cataloguswaarde vermenigvuldigd met een percentage dat rekening houdt met de periode die is verstreken vanaf de datum van eerste inschrijving van het voertuig.

Periode verstreken sinds de eerste inschrijving van het voertuig (een begonnen maand telt voor een volledige maand) Percentage waarmee de catalogus-waarde wordt vermenigvuldigd
van 0 tot 12 maanden 100%
van 13 tot 24 maanden 94%
van 25 tot 36 maanden 88%
van 37 tot 48 maanden 82%
van 49 tot 60 maanden 76%
vanaf 61 maanden 70%

2) de CO2-uitstoot van het voertuig

Het CO2-basispercentage bedraagt 5,5%

  • voor een referentie- CO2- uitstoot van 110 g/km (voor het kalenderjaar 2015) of 107 g/km (voor het kalenderjaar 2016) voor voertuigen met een benzine-, lpg- of aardgasmotor
  • voor een referentie- CO2-uitstoot van 91 g/km (voor het kalenderjaar 2015) of 89 g/km (voor het kalenderjaar 2016) voor voertuigen met een dieselmotor

Wanneer de uitstoot van uw bedrijfswagen hoger ligt dan de referentie-uitstoot wordt het basispercentage met 0,1% per CO2-gram vermeerderd, tot maximum 18%.

Wanneer de uitstoot van uw bedrijfswagen lager ligt dan de referentie-uitstoot wordt het basispercentage met 0,1% per CO2-gram verminderd, tot minimum 4%.

De voertuigen waarvoor geen gegevens over de CO2-uitstoot beschikbaar zijn bij de DIV (Directie voor Inschrijving van de Voertuigen) worden

  • als ze worden aangedreven door een benzine-, lpg- of aardgasmotor, gelijkgesteld met voertuigen met een CO2-uitstoot van 205 g/km
  • als ze worden aangedreven door een dieselmotor, gelijkgesteld met voertuigen met een CO2-uitstoot van 195 g/km

Terug naar boven ↑

Telematica

Zijn black boxen in bedrijfswagens legaal volgens de privacywetgeving?

“Het plaatsen van black boxen is niet specifiek gereglementeerd, maar wil de werkgever dit installeren, dan moet hij wel de algemene privacywetgeving naleven. Dit houdt in dat:

  • de principes en regels inzake de controle in een specifiek reglement opgenomen zijn;
  • de controle een geoorloofd doel moet hebben (veiligheid werknemer, bescherming voertuig,…);
  • de controle evenredig moet zijn (dus niet systematisch en permanent);
  • de controle transparant moet zijn.

Uit deze voorwaarden vloeit onder meer voort dat de controle enkel tijdens de werkuren mag gebeuren (de werknemer moet het systeem dus kunnen uitschakelen). Daarnaast mag het systeem enkel met het akkoord van de werknemer geïnstalleerd worden, tenzij de werkgever kan aantonen dat de controle noodzakelijk is voor de activiteit van de onderneming (bijvoorbeeldgeldtransporten).”
(Katrijn Cassiers, Legal Advisor Securex)

Terug naar boven ↑

Voordeel van alle Aard

Ik rij met een elektrische of kleine bedrijfswagen. Kan ik een grotere vragen om mee op vakantie te gaan?

“U rijdt met een wagen die volledig voldoet aan uw eisen maar toch hebt u nog budget over. In plaats van dat budget op te souperen met opties (die uw VAA trouwens verhogen) kan u bij Athlon opteren voor FlexDrive. U kan dan vrij kiezen voor een voertuig van uw keuze, hetzij een cabrio, een bestelwagen, een monovolume of zelfs een voertuig in het buitenland. Dat is ook voor het bedrijf een voordelige zaak want het budget blijft constant terwijl de werknemers kunnen genieten van echte flexibiliteit.”
(Cécile Liénard, Product Manager Athlon)

Terug naar boven ↑

Mag ik mijn bedrijfswagen gebruiken wanneer ik ziek ben of tijdkrediet neem?

“Het antwoord op deze vraag hangt van het type van schorsing af. En meer bepaald van het feit of je tijdens de beoogde schorsing het recht op loon behoudt. Het persoonlijk gebruik van de bedrijfswagen maakt immers deel uit van het loon en dus moet je de wagen enkel inleveren wanneer de verplichting van je werkgever om loon te betalen, eveneens geschorst is.

Je behoudt dus het recht op het persoonlijk gebruik van de bedrijfswagen:

  • gedurende de jaarlijkse vakantie;
  • tijdens de feestdagen;
  • gedurende de ziektedagen waarvoor je recht hebt op gewaarborgd loon.

Neem je echter een voltijds tijdskrediet of een verlof zonder wedde of ben je langdurig ziek en heb je dus geen recht meer op gewaarborgd loon, dan heeft je werkgever het recht om tijdens deze schorsing de tijdelijke teruggave van de wagen te eisen.

Uiteraard kan je met je werkgever overeenkomen dat je de bedrijfswagen tijdens deze schorsingsperiodes toch verder mag gebruiken, eventueel mits betaling van een vergoeding.”
(Katrijn Cassiers, Legal Advisor Securex)

Terug naar boven ↑

Bedrijfswagen

Wat zijn de meest gevraagde opties op een bedrijfswagen?

“Bij personenwagens merken we dat in de car policy van heel wat bedrijven opties genoteerd staan die ‘verplicht’ worden, omdat ze als veiligheidsopties beschouwd worden. Het gaat dan om airco, navigatie, bluetooth, parkeersensoren en een metaalkleur. Met het budget dat overblijft, valt de keuze van de bestuurder vervolgens vaak op comfortopties zoals een upgrade in de bekleding, multimedia-aansluitingen of verduisterde ruiten. In het hogere segment worden steeds meer automaten gekozen. Wie dan nog wat budget over heeft, kiest regelmatig voor een upgrade van de geluidsinstallatie en een panoramisch dak. Bij de accessoires blijft een trekhaak de meest populaire keuze. Doorgaans valt op dat technologische opties, zoals rijhulp- en waarschuwingssystemen door de bestuurders niet vaak gekozen worden.”

(Jan Deknuydt, Managing Director J&T Autolease)

Terug naar boven ↑

Kan de werkgever mijn bedrijfswagen meteen opeisen bij ontslag?

“Moet je een opzegtermijn presteren, dan mag je de bedrijfswagen verder gebruiken tijdens de opzegperiode, aangezien het recht op loon blijft bestaan zolang de arbeidsovereenkomst loopt. Wordt je arbeidsovereenkomst beëindigd met betaling van een opzegvergoeding, dan stopt de arbeidsrelatie onmiddellijk en moet je de bedrijfswagen onmiddellijk teruggeven. Er moet bij de berekening van je opzegvergoeding wel rekening worden gehouden met het voordeel van de bedrijfswagen. De raming ervan gebeurt op basis van de genotswaarde van de wagen en het persoonlijk voordeel dat je hieruit haalt. Uiteraard kan je werkgever toestaan dat je de bedrijfswagen na het einde van de arbeidsovereenkomst nog even verder mag gebruiken. Het gaat dan om een voordeel dat je werkgever toekent in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Op de waarde hiervan zijn de gewone socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing verschuldigd.”
(Katrijn Cassiers, Legal Advisor Securex)

Terug naar boven ↑

Mag ik mijn partner en/of derden ook met mijn bedrijfswagen laten rijden?

Het is belangrijk om te onthouden dat ofwel de werkgever of de leasingmaatschappij eigenaar is van het voertuig en dat de chauffeur slechts gebruiksrecht heeft van zijn firmawagen. Aan dit gebruiksrecht kunnen door de werkgever of de leasingmaatschappij dan ook bepaalde gebruiksmodaliteiten/beperkingen gekoppeld zijn. Die beperkingen kunnen ook van toepassing zijn op het eventuele gebruiksrecht van de wagen door familieleden of partner van de werknemer. Dit kan ofwel door de car policy van het bedrijf of door de leasingmaatschappij zo gestipuleerd worden. In de praktijk blijkt dat het gebruiksrecht van de firmawagen door ‘derden’ in vele gevallen beperkt blijft tot bijvoorbeeld de ‘inwonende partner’ en de kinderen van de werknemer.

Terug naar boven ↑

Moet ik als chauffeur altijd mijn eigen boetes betalen?

In principe wel, want de chauffeur is altijd verantwoordelijk voor zijn voertuig. De moeilijkheid met een leasingwagen is echter dat de chauffeur niet automatisch geïdentificeerd wordt want de leasingmaatschappij is eigenaar van het voertuig. Dit inspireerde een rechter in Bergen vorig jaar tot een verrassende uitspraak. Een chauffeur van een bedrijfswagen werd geflitst aan 172 km/u op de autosnelweg en kreeg daarvoor een boete en rijverbod. In beroep kreeg hij echter de vrijspraak. Zijn advocaat beriep zich op een uitspraak van het Grondwettelijk Hof. Dat zeg dat een pv zijn bewijskracht verliest als het eerst naar de leasingmaatschappij gaat en pas vervolgens naar de chauffeur. Dan is het enkel nog een ‘pv van inlichting’.

Terug naar boven ↑

Wat zijn de 10 populairste extralegale voordelen?

Uit de jaarlijkse JOBAT-loonwijzer blijkt dat de Belgische werknemer gemiddeld 4 extralegale voordelen ontvangt. De bedrijfswagen staat in de top tien op de achtste plaats.

  1. Maaltijdcheques, maaltijdvergoeding, bedrijfsrestaurant met verlaagde prijzen: 65%
  2. Hospitalisatieverzekering: 53%
  3. Groepsverzekering: 45%
  4. Terugbetaling woon-werkverkeer: 36%
  5. Ecocheques en andere waardebonnen: 36%
  6. Gsm + abonnement: 33%
  7. Laptop: 30%
  8. Bedrijfswagen met tankkaart: 25%
  9. Mogelijkheid tot thuiswerken: 19%
  10. Onkostenvergoeding (bv.’representatie-vergoeding’, vergoeding thuiswerk): 19%

Terug naar boven ↑

Verzekeringen

Bestaat er zoiets als een onverzekerbaar risico van een bedrijfswagen?

“In principe kan ieder risico verzekerd worden, ook voor specifieke evenementen en voor heel korte termijnen. Niettemin heeft de hagelschade tijdens het Pinksterweekend in 2014 ervoor gezorgd dat de verzekeringsmaatschappijen zich nu veel stroever opstellen. Bij sommige leasingmaatschappijen waren de uitgekeerde bedragen niet voldoende om het schadebedrag te dekken. Daardoor zijn de premies voor dergelijke risico’s opgeschroefd en de bedragen die worden uitgekeerd flink verlaagd. Sommige leasingmaatschappijen en fleetowners kiezen er nu voor om zich voor dergelijk risico niet meer te verzekeren en de – eventuele – schades voor eigen rekening te nemen.
(Eddy Fore, Account Manager Assumax)

Terug naar boven ↑

Brandstof

Hoe voorkom je fraude met tankkaarten?

Voor de chauffeur: stop de pincode van je tankkaart nooit in je portefeuille. Leer ze uit het hoofd of bewaar ze op zijn minst nooit in de auto. Ben je de kaart verloren of is ze gestolen, laat ze dan meteen blokkeren. Het kan ook dat je kaart vervalst of gekopieerd is. Tank daarom zoveel mogelijk in stations met camerabewaking. Daardoor lopen fraudeurs sneller tegen de lamp.

Terug naar boven ↑

Voordeel van Alle Aard (VAA) : compleet dossier


Hoe moet het belastbare voordeel van alle aard worden berekend wanneer er tezelfdertijd meerdere wagens ter beschikking zijn gesteld aan een werknemer of een bedrijfsleider?

Wanneer een werknemer of een bedrijfsleider tezelfdertijd over meerdere wagens kan beschikken, zal voor elk van die wagens afzonderlijk een belastbaar voordeel van alle aard moeten worden berekend.

Hoe moet het belastbare voordeel van alle aard worden berekend wanneer de werknemer of de bedrijfsleider slechts gedurende een gedeelte van het jaar de beschikking heeft over een firmawagen?

Het bedrag van het belastbare voordeel van alle aard heeft betrekking op een volledig jaar zodat in geval van een beperkte terbeschikkingstelling gedurende een gedeelte van het belastbare tijdperk het bedrag van het belastbare voordeel van alle aard pro rata temporis moet worden verminderd (en dit op basis van het aantal kalenderdagen). In dat verband wordt de aandacht gevestigd op het feit dat voor de berekening van het aantal kalenderdagen rekening moet worden gehouden met de eerste dag van de terbeschikkingstelling van de firmawagen, maar niet met de laatste dag waarop de firmawagen wordt ingeleverd.

Hoe moet het belastbare voordeel van alle aard worden berekend wanneer de werknemer of de bedrijfsleider in de loop van het jaar een andere firmawagen ter beschikking krijgt?

Het belastbaar voordeel van alle aard is in voorkomend geval gelijk aan de som van:

 het bedrag van het belastbaar voordeel van alle aard van de firmawagen die gedurende de eerste periode van het belastbaar tijdperk ter beschikking werd gesteld (oude firmawagen);

 het bedrag van het belastbaar voordeel van alle aard van de firmawagen die gedurende de tweede periode van het belastbare tijdperk ter beschikking werd gesteld (nieuwe firmawagen).

Hoe moet het belastbare voordeel van alle aard worden berekend wanneer de werknemer of de bedrijfsleider tijdelijk zijn firmawagen niet heeft kunnen gebruiken ingevolge een onderhoud of herstelling in de garage?

Een werknemer of bedrijfsleider wordt belast op het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het persoonlijk gebruik van een door zijn werkgever, respectievelijk onderneming kosteloos ter beschikking gesteld voertuig. Het feit dat een werknemer of een bedrijfsleider tijdelijk zijn firmawagen niet heeft kunnen gebruiken ingevolge een onderhoud of een herstelling doet geen afbreuk aan de terbeschikkingstelling van die firmawagen door zijn werkgever, respectievelijk onderneming zodat deze situatie geen enkele invloed heeft op de berekening van het voordeel van alle aard. Het belastbaar voordeel van alle aard van de firmawagen mag in voorkomend geval bijgevolg NIET pro rata temporis worden verminderd in functie van de tijdsduur van het onderhoud of de herstelling.

Wanneer de werknemer of een bedrijfsleider ingevolge een onderhoud of een herstelling aan zijn firmawagen een vervangwagen mag gebruiken, mag er bij de berekening van het voordeel van alle aard evenmin rekening worden gehouden met deze vervangwagen.

Hoe moet het voordeel van alle aard worden berekenend wanneer de werknemer of de bedrijfsleider voorafgaand aan de terbeschikkingstelling van zijn definitieve firmawagen de beschikking krijgt over een aanloopwagen?

In voorkomend geval mag er rekening worden gehouden met de aanloopwagen en zal het belastbaar voordeel van alle aard gelijk zijn aan de som van:

 het bedrag van het belastbaar voordeel van alle aard van de aanloopwagen;

 het bedrag van het belastbaar voordeel van alle aard van de definitieve firmawagen.

Is het stelsel van de ‘salary-split’ bij een gedeeltelijke tewerkstelling in een in het buitenland gevestigde onderneming eveneens van toepassing op het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het persoonlijk gebruik van een kosteloos door de werkgever ter beschikking gesteld voertuig?

Afhankelijk van de feitelijke omstandigheden (worden de kosten voor de terbeschikkingstelling van de bedrijfswagen doorgefactureerd aan de buitenlandse onderneming, wordt de bedrijfswagen door de belastingplichtige eveneens in het buitenland gebruikt, …) kan het belastbaar voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen worden verdeeld volgens de verhouding van de salary-split. Wanneer evenwel het voertuig uitsluitend wordt gebruikt in België en niet in het buitenland, kan de verdeling volgens de salary-split niet worden toegepast en is het volledige bedrag van het voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen belastbaar in België.

Hoe moet het belastbaar voordeel van alle aard worden berekend voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde lichte vrachtwagen (vb. bestelwagen)?

De voertuigen die door de forfaitaire raming van het betreffende voordeel van alle aard worden gevat, zijn:

 personenauto’s;

 auto’s voor dubbel gebruik;

 minibussen;

 de bij DIV tot de categorie “lichte vrachtauto’s” gehomologeerde voertuigen, maar die op fiscaal vlak en in het bijzonder voor de verkeersbelasting worden aangemerkt als personenauto, auto voor dubbel gebruik of minibus (dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op sommige monovolumes en luxueuze terreinvoertuigen).

Het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een voertuig dat voldoet aan de fiscale definitie van een lichte vrachtwagen (zoals bijvoorbeeld een bestelwagen) valt niet onder het stelsel van de forfaitaire raming. Dat voordeel moet dus voor de werkelijke waarde worden aangerekend bij de verkrijger.

Het voordeel moet dus in principe zoals voorheen worden vastgesteld in verhouding tot de waarde die het heeft bij de verkrijger. In de regel is de oplossing derhalve te vinden in het antwoord op de vraag: “welk is het bedrag dat de verkrijger in normale omstandigheden zou moeten besteden om een dergelijk voordeel te verkrijgen?”.

Is de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard van toepassing wanneer het privégebruik wordt beperkt tot een maximum aantal kilometers per jaar en de werknemer bijvoorbeeld 0,10 EUR per kilometer betaalt boven de opgelegde grens?

De forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard is in voorkomend geval wel degelijk van toepassing. Er wordt immers een bedrijfswagen ter beschikking gesteld voor persoonlijk gebruik (woon-werkverplaatsingen en/of eigenlijke privéverplaatsingen) zodat een voordeel van alle aard moet worden vastgesteld en dit ongeacht of de eigenlijke privéverplaatsingen al dan niet worden beperkt tot een maximum aantal kilometer per jaar en de werknemer bijvoorbeeld 0,10 EUR per kilometer moet betalen voor elke kilometer die het maximum aantal kilometer overschrijdt.

Deze bijdrage kan in voorkomend geval als een eigen bijdrage van de werknemer worden aangemerkt die in mindering mag worden gebracht van het betreffende voordeel van alle aard.

Wanneer de eigen bijdrage in het voordeel hoger zou zijn dan het forfaitair geraamde voordeel, mag het saldo geenszins in mindering worden gebracht van de belastbare bezoldigingen, noch van eventuele andere belastbare voordelen van alle aard en mag het evenmin worden overgedragen naar een volgend jaar.

Wanneer een werkgever een bedrijfswagen met tankkaart ter beschikking stelt, dient er dan naast het belastbaar voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van de bedrijfswagen nog een afzonderlijk voordeel van alle aard te worden belast voor het persoonlijk gebruik van de tankkaart?

Wanneer een werkgever zowel een bedrijfswagen als een tankkaart ter beschikking stelt, dient er slechts één belastbaar voordeel van alle aard te worden belast, met name het forfaitair geraamde voordeel van alle aard dat van toepassing is voor bedrijfswagens.

Hoe moet het belastbaar voordeel van alle aard worden berekend in geval van een “6 wielen” leasingcontract? Dergelijke contracten voorzien naast de terbeschikkingstelling van een firmawagen in de terbeschikkingstelling van een scooter of een fiets.

In voorkomend geval worden tezelfdertijd 2 voertuigen ter beschikking gesteld van de verkrijger zodat er voor beide voertuigen een belastbaar voordeel van alle aard moet worden berekend.

Voor de terbeschikkingstelling van de firmawagen zal het voordeel van alle aard forfaitair worden geraamd terwijl het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het persoonlijk gebruik van de scooter of de fiets geldt voor de werkelijke waarde bij de verkrijger ervan. Het voordeel moet dus in principe worden vastgesteld in verhouding tot de waarde die het heeft bij de verkrijger.

In de regel is de oplossing derhalve te vinden in het antwoord op de vraag: “welk is het bedrag dat de verkrijger in normale omstandigheden zou moeten besteden om een dergelijk voordeel te verkrijgen?”.

In het geval dat een firmawagen wordt gecombineerd met een bedrijfsfiets en die fiets daadwerkelijk wordt gebruikt voor de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, moet er voor de terbeschikkingstelling van de bedrijfsfiets geen voordeel van alle aard worden berekend.

Welke invloed hebben de normale afwezigheden zoals vakantiedagen, compensatiedagen, recuperatiedagen, omstandigheidsverlof, ziekteverlof,… op de berekening van het voordeel van alle aard?

De normale afwezigheden zoals vakantiedagen, compensatiedagen, recuperatiedagen, omstandigheidsverlof, ziekteverlof, vormingsdagen, dienstverplaatsingen naar het buitenland, enz. … hebben geen enkele invloed op de berekening van het voordeel van alle aard. Het forfaitair geraamde voordeel mag in voorkomend geval bijgevolg NIET pro rata temporis worden verminderd.

Er wordt immers een voordeel van alle aard belast van zodra er een firmawagen ter beschikking wordt gesteld. De forfaitaire berekening van dit voordeel staat volledig los van de intensiteit of de frequentie van het daadwerkelijk gebruik van de firmawagen.

Het feit dat een werknemer omwille van bijvoorbeeld een vakantie in het buitenland, of ziekte tijdelijk geen gebruik kan maken van zijn firmawagen doet geen afbreuk aan de terbeschikkingstelling van zijn firmawagen door zijn werkgever zodat het forfaitair geraamde voordeel bijgevolg NIET pro rata temporis mag worden verminderd.

Hoe moet het voordeel van alle aard worden berekend in geval van langdurige afwezigheid van de werknemer ingevolge ernstige ziekte?

Indien in de overeenkomst m.b.t. het persoonlijk gebruik van een door de werkgever ter beschikking gesteld voertuig een clausule is opgenomen die voorziet in een VERPLICHTE inlevering van het voertuig bij langdurige afwezigheid ingevolge ernstige ziekte, moet er bij effectieve inlevering van het voertuig voor die periode geen voordeel van alle aard worden belast. In voorkomend geval is de terbeschikkingstelling geschorst zodat het belastbaar voordeel van alle aard voor het betrokken belastbaar tijdperk pro rata temporis mag worden verminderd en dit op basis van het aantal kalenderdagen dat de terbeschikkingstelling werd geschorst.

Wanneer de werknemer daarentegen het voertuig niet hoeft in te leveren (of het voertuig vrijwillig inlevert), zal er voor de periode van langdurige afwezigheid ingevolge ernstige ziekte toch een voordeel van alle aard worden belast. De terbeschikkingstelling van het voertuig werd immers gedurende de betreffende periode niet geschorst.

Hoe moet het voordeel van alle aard worden berekend voor een werknemer die de beschikking heeft over een firmawagen van zijn werkgever die hij uitsluitend mag gebruiken voor dienstverplaatsingen en woon-werkverplaatsingen, maar niet voor de eigenlijke privé- verplaatsingen tijdens de weekends, vakanties of vrije tijd, enz.?

In het hier beoogde geval heeft de werknemer de beschikking over een firmawagen die hij mag gebruiken voor zijn woon-werkverplaatsingen. Bijgevolg is hier wel degelijk sprake van een persoonlijk gebruik van de firmawagen en moet het voordeel dat daaruit voortvloeit op forfaitaire basis worden geraamd. Het feit de werknemer de firmawagen van zijn werkgever niet mag gebruiken voor de eigenlijke privé-verplaatsingen tijdens de weekends, vakanties of vrije tijd, om privé-aankopen te doen, enz., betekent geenszins dat het forfaitair geraamde voordeel van alle aard ook moet worden verminderd. Dit principe is immers eigen aan de hier van toepassing zijnde forfaitaire waardering van het voordeel: de vaststelling van het forfaitair geraamde voordeel staat los van de intensiteit of de frequentie van het daadwerkelijke gebruik van het voertuig.

Hoe moet het voordeel van alle aard worden berekend wanneer een werkgever poolwagens ter beschikking stelt van zijn werknemers?

Wanneer een werknemer de beschikking heeft over een poolwagen die hij mag gebruiken voor zijn woon-werkverplaatsingen en/of eigenlijke privéverplaatsingen tijdens de weekends, vakanties of vrije tijd, om privé-aankopen te doen, enz., moet er gelet op het persoonlijk gebruik een forfaitair geraamd voordeel van alle aard worden belast. Wanneer de werknemer verschillende poolwagens gebruikt die een verschillende cataloguswaarde en/of CO2-uitstootgehalte hebben, moet er voor de vaststelling van het belastbare voordeel van die maand rekening worden gehouden met de poolwagen die het meest door de betrokken werknemer in de loop van die maand werd gebruikt.

Een werknemer heeft niet de gewoonlijke beschikking over een poolwagen. Omwille van uitzonderlijke familiale omstandigheden moet de werknemer dringend naar huis en mag hiervoor ten uitzonderlijke titel een poolwagen van zijn werkgever gebruiken. Moet er in voorkomend geval een voordeel van alle aard worden belast?

De hierboven omschreven omstandigheden zijn zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het gebruik van een poolwagen door de werkgever exceptioneel wordt toegestaan. In dat geval moet het louter toevallig gebruik door een werknemer van een voertuig van de werkgever voor een korte verplaatsing, als een niet belastbaar sociaal voordeel worden aangemerkt.

Dit standpunt geldt, zoals nu reeds het geval is, eveneens indien de werknemer uitzonderlijk en louter toevallig een korte verplaatsing verricht met een poolwagen, en dit ongeacht de omstandigheid.

Hoe moet het voordeel worden berekend wanneer een werknemer of een bedrijfsleider van een garagebedrijf afwisselend gebruik maakt van verschillende voertuigen die het garagebedrijf ter beschikking stelt aan haar werknemers en bedrijfsleiders voor hun woon-werkverplaatsingen en/of eigenlijke privéverplaatsingen tijdens de weekends, vakanties of vrije tijd, om privé- aankopen te doen, enz.?

Garagebedrijven beschikken over verschillende voertuigen die voor tal van doeleinden worden ingezet (vervangwagen voor klanten, testritwagen voor potentiële klanten, firmawagen voor werknemers en bedrijfsleiders, …). De werknemer of de bedrijfsleider heeft niet de beschikking over een “vaste” firmawagen, maar zal voor zijn woon-werkverplaatsingen en/of eigenlijke privéverplaatsingen tijdens de weekends, vakanties of vrije tijd, om privé-aankopen te doen enz. afwisselend gebruik maken van verschillende voertuigen en dit naargelang de beschikbaarheid op dat moment in het garagebedrijf.

In voorkomend geval moet voor de vaststelling van het belastbare voordeel van die maand rekening worden gehouden met het voertuig dat het meest door de betrokken werknemer of bedrijfsleider in de loop van die maand werd gebruikt.

Wanneer een werknemer of een bedrijfsleider daarentegen gedurende de eerste twee weken van de maand voertuig A ter beschikking heeft en daarna tot het einde van de maand voertuig B, is er geen sprake van een afwisselend gebruik van verschillende voertuigen zodat voorgaande regeling niet van toepassing is. In dat geval is het belastbare voordeel van alle aard voor die maand gelijk aan de som van de voordelen voor voertuig A (pro rata temporis verminderd) en voertuig B (pro rata temporis verminderd).

Catalogusprijzen van voertuigen kunnen na verloop van tijd stijgen of dalen. Met welke catalogusprijs dient men precies rekening te houden bij de berekening van het voordeel van alle aard. Is dit de initiële catalogusprijs van het voertuig volgens bouwjaar of is dit de catalogusprijs van het voertuig die van toepassing is op het moment van aankoop of op het moment van de eerste inschrijving?

Voor de berekening van het voordeel van alle aard dient men rekening te houden met de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier.

Die catalogusprijs kan verschillen naargelang er bij de bestelling van het voertuig al dan niet een prijsgarantie wordt gegeven door de dealer.

In geval van prijsgarantie moet er rekening worden gehouden met de catalogusprijs van het betreffende voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier zoals die van toepassing is op het ogenblik van bestelling van dat voertuig in nieuwe staat.

In geval er geen prijsgarantie is gegeven, moet er rekening worden gehouden met de catalogusprijs in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier zoals die van toepassing is op het ogenblik van facturatie van dat voertuig in nieuwe staat.

Aangezien alle voertuigen na verloop van tijd in waarde verminderen, wordt de cataloguswaarde aangepast met een percentage dat rekening houdt met het aantal maanden die zijn verstreken sinds de eerste inschrijving van het betrokken voertuig. Mag in dat verband rekening worden gehouden met een eerste inschrijving van het voertuig in het buitenland of is de eerste inschrijving bij de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen (DIV) doorslaggevend?

Voor de vermindering van de cataloguswaarde in functie van het aantal maanden die zijn verstreken sinds de eerste inschrijving van het betrokken voertuig mag rekening worden gehouden met een eerste inschrijving van dat voertuig in het buitenland.

Wordt er voor de vaststelling van de cataloguswaarde van een directie- of demonstratiewagen met handelaarsplaat (zogenaamde “Z-platen”) rekening gehouden met de ouderdom van dat voertuig?

Immers dergelijke voertuigen zijn niet ingeschreven bij de DIV.

In voorkomend geval mag er rekening worden gehouden met de datum van inschrijving van het betreffende voertuig in het bijzonder btw-register voor directiewagens als bedoeld in de btw-aanschrijving nr. 9 van 30 juli 1985, inzonderheid punt 28 en verder.

Met welke catalogusprijs moet men rekening houden wanneer de bedrijfswagen in het buitenland werd aangekocht? Is dit de catalogusprijs die geldt in het buitenland of deze die geldt in België?

Voor de vaststelling van de cataloguswaarde moet men steeds rekening houden met de Belgische catalogusprijs van het betreffende voertuig en dit ongeacht dit voertuig in België of in het buitenland is aangekocht. Wanneer het betreffende voertuig echter niet op de Belgische markt wordt verkocht en er bijgevolg ook geen Belgische catalogusprijs bestaat voor dat voertuig, moet men rekening houden met de buitenlandse catalogusprijs voor de berekening van het voordeel van alle aard.

Indien het ter beschikking gestelde voertuig een tweedehandswagen is, met welke “werkelijk betaalde btw” dient men dan rekening te houden bij de berekening van het voordeel van alle aard? Betreft het de btw die werkelijk is betaald op het ogenblik dat het betreffende voertuig in nieuwe staat is aangekocht of is het de btw die werkelijk is betaald op het ogenblik van de tweedehandsverkoop?

Voor de berekening van het voordeel van alle aard dient men steeds rekening te houden met de btw die werkelijk is betaald op het ogenblik van de tweedehandsverkoop.

Wanneer een werkgever echter een tweedehandsvoertuig aankoopt bij een belastingplichtige wederverkoper met toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge wordt het bedrag van de BTW niet vermeld op de factuur, maar moet de verkoper op de factuur het volgende vermelden: “Levering onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge: btw niet aftrekbaar”. In een dergelijk geval komt er geen btw in de berekeningsgrondslag van het voordeel van alle aard.

Moet er bij de bepaling van de cataloguswaarde van de firmawagen rekening worden gehouden met de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die betrekking heeft op de korting?

Voor de bepaling van de cataloguswaarde moet er rekening worden gehouden met de werkelijk betaalde btw.

Concreet betekent dit dat wanneer de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier 30.000 EUR exclusief btw bedraagt en hierop een korting wordt gegeven van 3.000 EUR, de werkelijk btw 5.670 EUR bedraagt (21 % btw op de met korting verminderde catalogusprijs van 27.000 EUR) en NIET 6.300 EUR (21 % btw op de catalogusprijs van 30.000 EUR).

Voor de berekening van het voordeel van alle aard moet voor het betreffende voertuig rekening worden gehouden met een cataloguswaarde van 35.670 EUR (namelijk een catalogusprijs van 30.000 EUR zonder rekening te houden met enige korting verhoogd met de werkelijk betaalde btw van 5.670 EUR) en NIET met een cataloguswaarde van 36.300 EUR (namelijk een catalogusprijs van 30.000 EUR zonder rekening te houden met enige korting verhoogd met 21 % btw). Immers voor de bepaling van de cataloguswaarde mag geen rekening worden gehouden met enige korting, vermindering of rabat, maar moet wel rekening worden gehouden met de werkelijk betaald btw.

Wat is de invloed van fleetkortingen of kortingen n.a.v. speciale acties op de cataloguswaarde van de firmawagen?

Onder cataloguswaarde wordt verstaan de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en werkelijk betaalde belasting over de toegevoegde waarde, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno.

Gelet op het voorgaande mag er voor de bepaling van de cataloguswaarde evenmin rekening worden gehouden met fleetkortingen of kortingen gegeven in het kader van een speciale actie.

Hoe moet het voordeel van alle aard worden berekend wanneer er bijvoorbeeld n.a.v. een speciale actie gratis of tegen verminderde prijs optiepakketten worden toegekend?

Voor de bepaling van de cataloguswaarde moet er rekening worden gehouden met de opties en de werkelijk betaalde btw, maar mag er geen rekening worden gehouden met enige korting, vermindering, rabat of restorno.

Concreet betekent dit dat wanneer de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier 30.000 EUR exclusief btw bedraagt en n.a.v. een speciale actie een gratis optiepakket ter waarde van 3.000 EUR exclusief btw wordt toegekend, de werkelijk betaalde btw 6.300 EUR bedraagt (namelijk 21 % btw op de catalogusprijs van 30.000 EUR).

Voor de berekening van het voordeel van alle aard moet voor het betreffende voertuig bijgevolg rekening worden gehouden met een cataloguswaarde van 39.300 EUR (namelijk een catalogusprijs van 30.000 EUR verhoogd met de werkelijk betaalde btw van 6.300 EUR en verhoogd met het gratis toegekend optiepakket ter waarde van 3.000 EUR).

Wanneer daarentegen ditzelfde optiepakket niet gratis maar tegen een verminderde prijs van 2.000 EUR exclusief BTW wordt toegekend bedraagt de werkelijk betaalde btw 6.720 EUR (namelijk 21 % btw op de som van de catalogusprijs van 30.000 EUR en het optiepakket aangekocht voor 2.000 EUR).

Voor de berekening van het voordeel van alle aard moet voor het betreffende voertuig bijgevolg rekening worden gehouden met een cataloguswaarde van 39.720 EUR (namelijk een catalogusprijs van 30.000 EUR verhoogd met de werkelijk betaalde btw van 6.720 EUR en verhoogd met het optiepakket ter waarde van 3.000 EUR).

De prijs van een optiepakket is meestal goedkoper dan de som van de prijzen van de individuele opties vervat in dat pakket. Moet er voor de vaststelling van de cataloguswaarde rekening worden gehouden met de prijs van het optiepakket of met de som van de prijzen van de individuele opties vervat in dat pakket?

In voorkomend geval moet een onderscheid worden gemaakt naargelang het betreffende optiepakket al dan niet beschikbaar is voor de particuliere markt.

Wanneer het optiepakket enkel beschikbaar is voor de professionele markt, maar niet voor de particuliere markt dan moet voor de vaststelling van de cataloguswaarde rekening worden gehouden met de som van de prijzen van de individuele opties vervat in dat pakket die gelden op de particuliere markt. De wettekst verwijst immers naar de prijs in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier.

Wanneer het optiepakket daarentegen wel beschikbaar is voor de particuliere markt dan moet voor de vaststelling van de cataloguswaarde rekening worden gehouden met de prijs van dat optiepakket zoals gekend voor de particuliere markt. In dat verband wordt de aandacht nog gevestigd op de notie “optiepakket beschikbaar voor de particuliere markt”.

Hieronder moet worden verstaan de optiepakketten samengesteld door de constructeurs of invoerders en als zodanig aangeboden op de particuliere markt tegen een door hen vastgestelde officiële prijs.

Hier worden bijgevolg niet de door een plaatselijke dealer zelf samengestelde optiepakketten beoogd die de dealer ter gelegenheid van promotionele acties tegen een lagere prijs aanbiedt dan de som van de prijzen van de individuele opties vervat in dat pakket. In dat geval gaat het om een commerciële korting die de plaatselijke dealer aanbiedt en waarmee geen rekening mag worden gehouden bij de vaststelling van de cataloguswaarde.

Wanneer een constructeur of invoerder ingevolge een promotionele actie de catalogusprijs van een bepaald voertuig (tijdelijk) verlaagt en deze prijsverlaging in de reclamecampagnes vermeldt als een “klantenvoordeel”, moet dit “klantenvoordeel” dan worden aangemerkt als een korting waarmee geen rekening mag worden gehouden voor de berekening van het voordeel van alle aard?

Indien de catalogusprijs ingevolge een promotionele actie (tijdelijk) wordt verlaagd dan geldt deze verlaagde catalogusprijs als berekeningsgrondslag voor het voordeel van alle aard voor zover die (tijdelijke) prijs door de constructeur/invoerder ook daadwerkelijk wordt opgenomen als een nieuwe catalogusprijs in zijn prijslijsten en het algemeen van toepassing is bij verkoop aan een particulier.

Wanneer ter gelegenheid van promotionele acties optiepakketten worden aangeboden aan een lagere prijs dan die van de individuele opties waaruit het pakket is samengesteld, dan geldt de lagere prijs van dit pakket voor de berekening van het voordeel van alle aard voor zover de constructeur/invoerder dat pakket ook daadwerkelijk als een specifiek optiepakket in zijn prijslijsten opneemt en het algemeen van toepassing is bij verkoop aan een particulier.

Indien ingevolge een promotionele actie een voertuig wordt voorzien van een optiepakket, en dat voertuig samen met dat optiepakket aan dezelfde catalogusprijs als voorheen wordt aangeboden dan geldt deze catalogusprijs als berekeningsgrondslag voor het voordeel van alle aard voor zover dat voertuig samen met dat specifieke optiepakket door de constructeur/invoerder ook daadwerkelijk wordt opgenomen als een nieuwe catalogusprijs in zijn prijslijsten en het algemeen van toepassing is bij verkoop aan een particulier.

Wanneer de constructeur/invoerder het voordeel dat voor de klant voortvloeit uit de hiervoor bedoelde strikt omschreven prijsverlagingen in de reclamecampagnes vermeldt als een “klantenvoordeel” dan aanvaardt de administratie dat dit geen implicatie heeft voor de berekening van het voordeel van alle aard. Een dergelijk “klantenvoordeel” wordt niet als een korting aangemerkt.

Het voordeel van alle aard wordt in dat geval berekend rekening houdende met de hiervoor strikt omschreven prijsverlagingen. Wanneer daarentegen niet aan de hiervoor uiteengezette voorwaarden is voldaan betreft het noodzakelijkerwijze een korting waarmee geen rekening mag worden gehouden bij de berekening van het voordeel van alle aard.

Moet er voor de bepaling van de cataloguswaarde ter zake een onderscheid worden gemaakt tussen, enerzijds, opties en anderzijds, accessoires?

Neen. Voor de bepaling van de cataloguswaarde moet geen onderscheid worden gemaakt tussen opties en accessoires. De notie “opties” omvat in de fiscale betekenis van het woord eveneens de accessoires aangebracht aan het voertuig.

Moet men bij de berekening van het voordeel van alle aard rekening houden met door de werkgever betaalde accessoires die achteraf nog worden aangebracht aan het voertuig? Mag in voorkomend geval de vermindering van de cataloguswaarde in functie van het aantal maanden die zijn verstreken sinds de eerste inschrijving van het betrokken voertuig worden toegepast op de verhoogde cataloguswaarde, ook al waren deze accessoires op het ogenblik van de eerste inschrijving van het voertuig nog niet aanwezig?

Wanneer er na de aankoop van het voertuig nog door de werkgever betaalde accessoires worden aangebracht aan het voertuig, dan moet men rekening houden met deze accessoires bij de berekening van het voordeel van alle aard.

De vermindering van de cataloguswaarde in functie van het aantal maanden die zijn verstreken sinds de eerste inschrijving van het betrokken voertuig mag worden toegepast op de cataloguswaarde van het voertuig met inbegrip van de achteraf nog aangebrachte accessoires.

Een werknemer mag van zijn werkgever een dienstvoertuig gebruiken voor zijn woon-werkverkeer en andere privéverplaatsingen. Dat dienstvoertuig is uitgerust met een aantal specifieke opties die essentieel zijn voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. Moet de waarde van de specifieke opties worden toegevoegd aan de cataloguswaarde van het voertuig om het belastbaar voordeel van alle aard te bepalen?

Indien het hier gaat om zeer specifieke technische opties die inherent zijn aan het betreffende beroep zoals daar bijvoorbeeld zijn voor een politieman of een brandweerman een zwaailicht, sirene, zoeklicht, dienstradio, … dan moet de waarde van dergelijke opties niet aan de cataloguswaarde van het voertuig worden toegevoegd om het belastbare voordeel van alle aard te bepalen.

Een werkgever stelt een bedrijfswagen ter beschikking aan een werknemer met een handicap. Dit voertuig is evenwel specifiek aangepast aan (of omgebouwd in functie van) de lichamelijke beperkingen van de werknemer. Hoe moet het voordeel van alle aard in voorkomend geval worden berekend?

De kosten die worden gedaan om het ter beschikking gestelde voertuig aan te passen aan of om te bouwen in functie van de lichamelijke beperkingen van de verkrijger van het voordeel worden niet meegerekend in de cataloguswaarde op voorwaarde dat dezelfde aanpassingen of verbouwingen niet ter beschikking staan van verkrijgers zonder die lichamelijke gebreken. Zo zal een aanpassing die de gas-, rem- en ontkoppelingspedalen vervangt door een systeem aan het stuur niet worden meegerekend in de cataloguswaarde. Daarentegen zullen de kosten om een automatische versnellingsbak te laten installeren wel in de berekeningsgrondslag blijven omdat ook personen zonder lichamelijke beperkingen een dergelijke optie kunnen bekomen.

Deze kosten moeten duidelijk uitgesplitst vermeld staan op de factuur.

Een werkgever stelt een bedrijfswagen ter beschikking aan zijn werknemer en sluit bovendien een onderhoudscontract met zijn garagist dat voorziet in een onderhoud van de bedrijfswagen gedurende de eerste 150.000 kilometer. Moet dit contract worden aangemerkt als een optie waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van het voordeel van alle aard?

Wanneer een werkgever een bedrijfswagen ter beschikking stelt aan zijn werknemer en voor deze bedrijfswagen eveneens een contract sluit met zijn garagist waarin een onderhoud van de bedrijfswagen wordt bedongen en dit gedurende de eerste 150.000 kilometer, dan moet dit contract en de vergoeding die de werkgever daarvoor moet betalen, niet worden aangemerkt als een optie, maar als een voorafbetaling op het onderhoud van de bedrijfswagen. Met dit contract dient dus geen rekening te worden gehouden voor de vaststelling van de cataloguswaarde van het voertuig.

Een onderneming stelt een bedrijfswagen ter beschikking aan haar bedrijfsleider met een cataloguswaarde van 50.000 EUR. De onderneming betaalt 90 % van de cataloguswaarde en is 90 % eigenaar van dit voertuig. De bedrijfsleider betaalt de overige 10 % en is 10 % eigenaar van dit voertuig. Hoe moet het voordeel van alle aard in voorkomend geval worden berekend?

In dit geval stelt de onderneming slechts 90 % van de bedrijfswagen ter beschikking aan haar bedrijfsleider aangezien zij voor 90 % en de bedrijfsleider voor 10 % eigenaar is. Bijgevolg moet voor de berekening van het voordeel van alle aard rekening worden gehouden met een cataloguswaarde van 45.000 EUR, namelijk 90 % van 50.000 EUR.

Welke gegevens moeten met betrekking tot de berekening van het belastbare voordeel van alle aard worden vermeld op de inkomstenfiches 281.10 of 281.20?

Op de inkomstenfiches moet enkel het bedrag van het belastbare voordeel van alle aard worden vermeld dat voortvloeit uit het persoonlijk gebruik van een door de werkgever kosteloos ter beschikking gesteld voertuig. Het kilometeraantal moet niet meer worden vermeld op de inkomstenfiches die moeten worden opgesteld voor de vanaf 1.1.2012 betaalde of toegekende inkomsten.

Een werkgever stelt een bedrijfswagen ter beschikking aan zijn werknemer. De werknemer moet evenwel in opdracht van zijn werkgever op weg naar zijn vaste plaats van tewerkstelling één of meer collega’s oppikken die meerijden tot aan het werk. Is hier sprake van door de werkgever georganiseerd gemeenschappelijk vervoer en hoe moet in voorkomend geval het voordeel van alle aard worden berekend?

Wanneer een werknemer van zijn werkgever een bedrijfswagen ter beschikking heeft gekregen en hiermee in opdracht van die werkgever op weg naar zijn vaste plaats van tewerkstelling één of meer collega’s moet oppikken die meerijden tot aan het werk, zal er voortaan slechts sprake zijn van door de werkgever “georganiseerd gemeenschappelijk vervoer” voor zover de volgende voorwaarden cumulatief zijn voldaan:

 de werkgever moet de regels en de modaliteiten voor het gebruik van het gemeenschappelijk vervoer vastleggen en anderzijds toezien op het gebruik ervan door de werknemers. Bovendien moeten de regels voor het gebruik van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, evenals de voorwaarden van de vergoedingen, opgenomen zijn in een collectieve overeenkomst of in individuele schriftelijke overeenkomsten die zijn gesloten tussen de werkgever of de groep van werkgevers en elke werknemer;

 het aandeel carpooling (waarbij enkele personen tezamen in één en dezelfde personenauto het traject tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling afleggen) in het totale traject woonplaats – vaste plaats van tewerkstelling moet essentieel zijn. Concreet betekent dit dat het aandeel carpooling voor de werknemer-chauffeur minstens 80 % moet bedragen in het totale traject woonplaats – vaste plaats van tewerkstelling;

 het betreffende voertuig mag verder niet voor eigenlijke privéverplaatsingen worden gebruikt.

In voorkomend geval wordt het volledige woon-werktraject (dus met inbegrip van het deel van het traject m.b.t. de individuele woon-werkverplaatsingen dat minder dan 20 % van het totale woonwerktraject bedraagt) geacht te zijn afgelegd in het kader van het “georganiseerd gemeenschappelijk vervoer” en wordt het voordeel dat hieruit voortvloeit voor de werknemer-chauffeur (net zoals dat steeds het geval is geweest voor de werknemers-passagiers) vrijgesteld als sociaal voordeel.

In alle andere gevallen (geen regels en modaliteiten vastgelegd voor het gebruik van het gemeenschappelijk vervoer, aandeel carpooling voor de werknemer-chauffeur minder dan 80 % van het totale traject woonplaats – vaste plaats van tewerkstelling en/of toegestaan privégebruik) wordt er aangenomen dat er voor de werknemer-chauffeur in geval van carpooling met een door de werkgever ter beschikking gesteld voertuig geen georganiseerd gemeenschappelijk vervoer is, zodat de vrijstelling als sociaal voordeel niet kan worden toegepast.

Met welk CO2-uitstootgehalte moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het belastbaar voordeel van alle aard: het CO2-uitstootgehalte vermeld op het inschrijvingsbewijs van het voertuig of datgene vermeld op het gelijkvormigheidsattest?

Om het CO2-uitstootgehalte van de betreffende voertuigen te kennen, moet men zich beroepen op de informatie waarover de dienst voor inschrijving van de voertuigen (DIV) van de FOD Mobiliteit en Vervoer beschikt. Als de DIV over deze informatie beschikt, is deze informatie in principe vermeld op het inschrijvingsbewijs van het voertuig.

Alhoewel deze informatie eveneens wordt vermeld op het gelijkvormigheidsattest van het voertuig, dat werd overhandigd bij de ontvangst van het voertuig, is het CO2-uitstootgehalte dat is vermeld op het inschrijvingsbewijs bepalend voor de berekening van het voordeel van alle aard. Daaruit volgt dat wanneer het inschrijvingsbewijs het CO2-uitstootgehalte niet vermeldt en de DIV over geen informatie beschikt, steeds de hieronder vermelde regel moet worden toegepast en dat zelfs wanneer het CO2-uitstootgehalte is aangeduid op het gelijkvormigheidsattest. De voertuigen waarvoor geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de dienst voor inschrijving van de voertuigen, worden, indien ze worden aangedreven door een benzine-, LPG- of aardgasmotor, gelijkgesteld met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 205 g/km, en, indien ze worden aangedreven door een dieselmotor, met de voertuigen met een CO2- uitstootgehalte van 195 g/km.

De aandacht wordt evenwel gevestigd op het feit dat wanneer het CO2-uitstootgehalte niet is vermeld op het inschrijvingsbewijs de mogelijkheid bestaat om dit alsnog door de DIV op het inschrijvingsbewijs te laten vermelden. Voor meer inlichtingen ter zake kan u de infokiosk van de DIV contacteren op het nummer 02/277.30.50.

Hoe moet het voordeel van alle aard worden berekend wanneer een bedrijfswagen zowel op LPG als benzine rijdt?

Immers auto’s die zowel op LPG als benzine rijden, hebben een hogere CO2- uitstoot wanneer zij op benzine rijden.

Er mag worden aangenomen dat auto’s die zijn uitgerust met een LPG-installatie in de regel ook op die brandstof zullen rijden (LPG is immers goedkoper dan benzine).

Het voordeel van alle aard mag in een dergelijk geval dan ook worden berekend rekening houdende met de laagste CO2-uitstoot, namelijk die voor LPG. Wanneer evenwel uit de feiten zou blijken dat er nooit of nauwelijks op LPG wordt gereden, zal het voordeel moeten worden berekend rekening houdende met de CO2-uitstoot voor benzine.

Hoe moet het voordeel van alle aard worden berekend voor een bedrijfswagen die uitsluitend wordt aangedreven met een elektrische motor?

Voor een bedrijfswagen die uitsluitend wordt aangedreven met een elektrische motor en met bijgevolg een uitstoot van 0 gram CO2 per kilometer moet voor de bepaling van het belastbaar voordeel van alle aard een CO2-percentage van 4 % worden toegepast, namelijk het minimum van toepassing zijnde basispercentage.

Kan het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het persoonlijk gebruik van een door de werkgever ter beschikking gesteld voertuig worden verminderd met de eigen bijdrage van de verkrijger van het voordeel die door de werkgever wordt ingehouden op zijn netto loon?

Een eigen bijdrage in het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een voertuig mag van dat voordeel worden afgetrokken.

Fundamenteel daarbij is bijgevolg dat die eigen bijdrage een tussenkomst van de werknemer/bedrijfsleider betreft in iets (in casu een voertuig) dat hem door de werkgever/onderneming ter beschikking wordt gesteld. Of er sprake is van een terbeschikkingstelling moet blijken uit de feitelijke en juridische omstandigheden zoals bijvoorbeeld de bepalingen van een leasingcontract.

Mogen de bijdragen die een werknemer of een bedrijfsleider moeten betalen naar aanleiding van schade of ongeval in mindering worden gebracht van het belastbaar voordeel van alle aard?

Wanneer een werknemer of een bedrijfsleider een bijdrage aan zijn werkgever, respectievelijk onderneming moet betalen voor het herstel van schade naar aanleiding van een ongeval (vb. het bedrag van de franchise tot dekking van de schade van het voertuig) , kan deze bijdrage NIET in mindering worden gebracht van het belastbaar voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig.

Wanneer een leasingmaatschappij op het einde van het leasingcontract een bedrag factureert ter vergoeding van de schade aan het voertuig, kan dit bedrag evenmin door de werknemer of de bedrijfsleider in mindering worden gebracht van het belastbaar voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig.

Een werknemer vertrekt met zijn gezin op wintervakantie en koopt daarvoor een nieuwe set winterbanden die hij op zijn bedrijfswagen laat monteren. Het leasingcontract voorziet geen terbeschikkingstelling van winterbanden. Zijn werkgever komt evenmin tussen in die kosten. Kunnen die kosten worden aangemerkt als een eigen bijdrage die de werknemer mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen?

Neen. Het voordeel dat hem wordt aangerekend vloeit voort uit de terbeschikkingstelling van de bedrijfswagen.

Het is in deze situatie duidelijk dat de winterbanden geen deel uitmaken van die terbeschikkingstelling en bijgevolg evenmin van het voordeel. Deze kost die de werknemer zelf heeft gedragen, heeft dus niet het karakter van een eigen bijdrage in het aangerekende voordeel van alle aard en mag er bijgevolg niet van worden afgetrokken. Voor de bepaling van de berekeningsgrondslag van het voordeel van alle aard moet geen rekening worden gehouden met de winterbanden.

Een werknemer vertrekt met zijn gezin op vakantie en moet in het buitenland de benzinekosten en de tolkosten voor het gebruik van de autosnelwegen, tunnels, veerdiensten enz. zelf betalen. Kunnen die kosten worden aangemerkt als een eigen bijdrage die de werknemer mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen?

Neen. Het voordeel dat hem wordt aangerekend vloeit voort uit de terbeschikkingstelling van de bedrijfswagen.

Het is in deze situatie duidelijk dat de benzinekosten en de tolkosten geen deel uitmaken van die terbeschikkingstelling en bijgevolg evenmin van het voordeel. Deze kost die de werknemer zelf heeft gedragen, heeft dus niet het karakter van een eigen bijdrage in het aangerekende voordeel van alle aard en mag er bijgevolg niet van worden afgetrokken.

Een werknemer draagt zorg voor zijn bedrijfswagen en laat hem regelmatig wassen in de carwash. Hij betaalt die wasbeurten zelf. Zijn Werkgever betaalt die kosten niet terug. Kunnen die kosten worden aangemerkt als een eigen bijdrage die hij mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen?

Neen. Het voordeel dat hem wordt aangerekend vloeit voort uit de terbeschikkingstelling van de bedrijfswagen.

Het is in deze situatie duidelijk dat de kosten voor de carwash geen deel uitmaken van die terbeschikkingstelling en bijgevolg evenmin van het voordeel. Deze kost die de werknemer zelf heeft gedragen, heeft dus niet het karakter van een eigen bijdrage in het aangerekende voordeel van alle aard en mag er bijgevolg niet van worden afgetrokken.

Een werknemer gebruikt zijn bedrijfswagen voor zijn woon-werkverkeer en andere privéverplaatsingen. De benzinekosten moet hij volledig zelf betalen. Kunnen die kosten worden aangemerkt als een eigen bijdrage die hij mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen?

Neen. Het voordeel dat hem wordt aangerekend vloeit voort uit de terbeschikkingstelling van de bedrijfswagen.

Het is in deze situatie duidelijk dat de benzinekosten geen deel uitmaken van die terbeschikkingstelling en bijgevolg evenmin van het voordeel. Deze kost die de werknemer zelf heeft gedragen, heeft dus niet het karakter van een eigen bijdrage in het aangerekende voordeel van alle aard en mag er bijgevolg niet van worden afgetrokken.

Wanneer de werknemer aanspraak maakt op zijn werkelijke beroepskosten dan kan hij evenwel de kosten die verband houden met de verplaatsingen tussen zijn woonplaats en zijn vaste plaats van tewerkstelling en die hij met zijn bedrijfswagen verricht, als aftrekbare beroepskosten in aanmerking nemen voor een forfaitair bedrag gelijk aan 0,15 EUR per afgelegde kilometer.

Dat forfait mag nooit meer bedragen dan het voordeel van alle aard dat op zijn naam wordt belast, in voorkomend geval verhoogd met zijn eigen bijdrage in dat voordeel (waartoe de zelf gedragen benzinekosten dus NIET behoren).

Een werkgever least een bedrijfswagen met tankkaart en stelt deze vervolgens ter beschikking aan zijn werknemer. Alhoewel de werkgever de volledige leasingprijs betaalt, vraagt hij aan zijn werknemer een bijdrage voor het brandstofverbruik. Kan deze bijdrage in de brandstofkosten van de werknemer in mindering worden gebracht van het belastbaar voordeel van alle aard?

In voorkomend geval mag de bijdrage van de werknemer in de brandstofkosten als een eigen bijdrage worden aangemerkt die in mindering mag worden gebracht van het belastbaar voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het persoonlijk gebruik van de bedrijfswagen.

Een werknemer gebruikt zijn bedrijfswagen voor zijn woon-werkverkeer en andere privéverplaatsingen. De verzekering voor het voertuig is niet gesloten door werkgever, maar is gesloten door de werknemer. De verzekeringspremie wordt volledig door de werknemer zelf betaald. Kunnen die kosten worden aangemerkt als een eigen bijdrage die hij mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen?

Neen. Het voordeel dat hem wordt aangerekend vloeit voort uit de terbeschikkingstelling van de bedrijfswagen. Het is in deze situatie duidelijk dat de verzekering van het voertuig geen deel uitmaakt van die terbeschikkingstelling en bijgevolg evenmin van het voordeel. Deze kost die de werknemer zelf heeft gedragen, heeft dus niet het karakter van een eigen bijdrage in het aangerekende voordeel van alle aard en mag er bijgevolg niet van worden afgetrokken.

Een werkgever koopt een wagen met een cataloguswaarde van 30.000 EUR. Dit voertuig wordt als bedrijfswagen ter beschikking gesteld aan zijn werknemer die het voertuig mag gebruiken voor woon-werkverplaatsingen en eigenlijke privéverplaatsingen. De werknemer is een fervent wielertoerist en laat voor een bedrag van 1.000 EUR een trekhaak en fietsdrager installeren op het voertuig. Zijn werkgever komt niet tussen in die kosten. Kunnen die kosten worden aangemerkt als een eigen bijdrage die de werknemer mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen?

Neen. Het voordeel dat hem wordt aangerekend vloeit voort uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen met een cataloguswaarde van 30.000 EUR. Het is in deze situatie duidelijk dat de trekhaak en fietsdrager geen deel uitmaken van die terbeschikkingstelling en bijgevolg evenmin van het voordeel. Deze kost die de werknemer zelf heeft gedragen, heeft dus niet het karakter van een eigen bijdrage in het aangerekende voordeel van alle aard en mag er bijgevolg niet van worden afgetrokken.

Het voordeel van alle aard zal in dit geval moeten worden berekend rekening houdende met een cataloguswaarde van 30.000 EUR.

Een werknemer krijgt een leasewagen ter beschikking van zijn werkgever die hij mag gebruiken voor zijn woon-werkverkeer en andere privéverplaatsingen. De maandelijkse bijdrage van de werkgever in de leasewagen bedraagt 480 EUR. Met dit maandelijks bedrag is het mogelijk om het standaardmodel A van het merk X te leasen. De werknemer wenst echter een aantal bijkomende opties toe te voegen aan dit standaardmodel zoals daar bijvoorbeeld zijn: metaalkleur, lederen interieur, siervelgen, … . Het maandelijks bedrag voor de leasing van het standaardmodel A met de bijkomende opties bedraagt 560 EUR. Deze meerprijs (560 EUR – 480 EUR = 80 EUR) moet de werknemer zelf ten laste nemen van zijn werkgever. Dit gebeurt via een maandelijkse inhouding op zijn nettoloon. Kan die meerprijs worden aangemerkt als een eigen bijdrage die de werknemer mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen?

Ja, in voorkomend geval kan de meerprijs als een eigen bijdrage worden aangemerkt die de werknemer mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen.

Voor alle duidelijkheid wordt verder nog aangestipt dat de eigen bijdrage van de verkrijger van een voordeel uitsluitend in mindering mag worden gebracht van het specifieke voordeel waarin de eigen bijdrage kadert. Dat betekent concreet dat wanneer de eigen bijdrage in een bepaald voordeel hoger zou zijn dan het forfaitair geraamde voordeel, het saldo geenszins in mindering mag worden gebracht van de belastbare bezoldigingen, noch van eventuele andere belastbare voordelen van alle aard.

Het voordeel zelf moet worden berekend vertrekkend van de cataloguswaarde van het standaardmodel A inclusief de bijkomende opties, zijnde de cataloguswaarde van het uiteindelijk ter beschikking gesteld voertuig.

Een werknemer krijgt een leasewagen ter beschikking van zijn werkgever die hij mag gebruiken voor zijn woon-werkverkeer en andere privéverplaatsingen. De maandelijkse bijdrage van de werkgever in de leasewagen bedraagt 480 EUR. Met dit maandelijks bedrag is het mogelijk om het standaardmodel A van het merk X te leasen. De werknemer zijn voorkeur gaat echter uit naar het duurder standaardmodel B van datzelfde merk. Het maandelijks bedrag voor de leasing van het standaardmodel B bedraagt 600 EUR. Deze meerprijs (600 EUR – 480 EUR = 120 EUR) moet de werknemer zelf ten laste nemen van zijn werkgever. Dit gebeurt via een maandelijkse inhouding op zijn nettoloon. Kan die meerprijs worden aangemerkt als een eigen bijdrage die de werknemer mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen?

Ja, in voorkomend geval kan de meerprijs als een eigen bijdrage worden aangemerkt die de werknemer mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen.

Voor alle duidelijkheid wordt verder nog aangestipt dat de eigen bijdrage van de verkrijger van een voordeel uitsluitend in mindering mag worden gebracht van het specifieke voordeel waarin de eigen bijdrage kadert. Dat betekent concreet dat wanneer de eigen bijdrage in een bepaald voordeel hoger zou zijn dan het forfaitair geraamde voordeel, het saldo geenszins in mindering mag worden gebracht van de belastbare bezoldigingen, noch van eventuele andere belastbare voordelen van alle aard.

Het voordeel zelf moet worden berekend vertrekkend van de cataloguswaarde van het standaardmodel B (en niet van het standaardmodel A), zijnde de cataloguswaarde van het uiteindelijk ter beschikking gesteld voertuig.

Een werknemer krijgt een leasewagen ter beschikking van zijn werkgever die hij mag gebruiken voor zijn woon-werkverkeer en andere privéverplaatsingen. De maandelijkse bijdrage van de werkgever in de leasewagen bedraagt 480 EUR. Met dit maandelijks bedrag is het mogelijk om het standaardmodel A van het merk X te leasen. De werknemer zijn voorkeur gaat echter uit naar het duurder standaardmodel C van datzelfde merk. Het maandelijks bedrag voor de leasing van het standaardmodel C bedraagt 700 EUR. Deze meerprijs (700 EUR – 480 EUR = 220 EUR) moet de werknemer zelf ten laste nemen van zijn werkgever. Dit gebeurt via een eenmalige bijdrage van 10.560 EUR. Kan die eenmalige bijdrage worden aangemerkt als een eigen bijdrage die de werknemer mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen?

Ja, in voorkomend geval kan de meerprijs als een eigen bijdrage worden aangemerkt die de werknemer mag aftrekken van het voordeel van alle aard dat hem wordt aangerekend voor het persoonlijk gebruik van zijn bedrijfswagen.

Voor alle duidelijkheid wordt verder nog aangestipt dat de eigen bijdrage van de verkrijger van een voordeel uitsluitend in mindering mag worden gebracht van het specifieke voordeel waarin de eigen bijdrage kadert. Dat betekent concreet dat wanneer de eigen bijdrage in een bepaald voordeel hoger zou zijn dan het forfaitair geraamde bedrag van dat voordeel, het saldo geenszins in mindering mag worden gebracht van de belastbare bezoldigingen, noch van eventuele andere belastbare voordelen van alle aard.

Gelet op het eenjarigheidsbeginsel mag de eenmalige bijdrage niet over verschillende jaren worden gespreid, maar moet de bijdrage in het jaar van betaling in mindering worden gebracht van het forfaitair geraamde voordeel met betrekking tot deze bedrijfswagen.

Het voordeel zelf moet worden berekend vertrekkend van de cataloguswaarde van het standaardmodel C (en niet van het standaardmodel A), zijnde de cataloguswaarde van het uiteindelijk ter beschikking gesteld voertuig.

Terug naar boven ↑