Meer files op de regionale wegen dan op de snelwegen?

FEBIAC houdt pleidooi om regionale wegen hun eigenlijke functie terug te geven: doorstromen en verbinden.

fileUit een onderzoek van B-mobile blijkt dat er meer files op regionale wegen dan op snelwegen zijn. Dat is op zijn minst een zorgwekkende vaststelling, gezien het belang van dit onderliggende wegennet voor onze (auto)mobiliteit. Maar het kan eigenlijk ook geen verwondering wekken, zeggen ze bij FEBIAC, “gezien de bijzonder slordige en onoordeelkundige manier waarop de voorbije decennia met deze wegen is omgegaan: niet-gesynchroniseerde verkeerlichten, onduidelijke of inconsequent aangelegde rotondes en kruisingen, ontelbare toegangen tot winkel- en bedrijvencentra, eindeloos lijkende werkzaamheden… alles lijkt te kunnen, maar aan doorstroming – de hoofdfunctie van dit type wegen – wordt nauwelijks gedacht. Dat heeft een nefaste invloed op de capaciteit en de verkeersafwikkeling. Met de gekende vertragingen en files tot gevolg, alsook onnodig extra brandstofverbruik en vervuilende emissies.”

FEBIAC pleit al langer voor een opwaardering van het netwerk aan regionale wegen. Die vormen volgens de federatie immers een onmisbare schakel in het wegennet. Alles naar de snelweg is immers niet de juiste strategie volgens FEBIAC. Een performant regionaal netwerk biedt grote voordelen: het autosnelwegennet krijgt een terugvaloptie (een bypass). Hierdoor wordt de betrouwbaarheid van de verkeersafwikkeling in het gehele netwerk fors verhoogd. Zo kan bij incidenten op het autosnelwegennet het verkeer tijdelijk worden omgeleid naar dit regionale net.

Een tweede voordeel is dat de totale capaciteit van het wegennetwerk toeneemt, waardoor een deel van de voorspelde groei van de mobiliteit kan worden opgevangen.

Tot slot is een opwaardering van het regionale netwerk goedkoper dan uitbreiding van het hoofdwegennet vanwege de lagere ontwerpstandaard (bijv. minder ongelijkvloerse kruisingen).

In navolging van onze buurlanden dient de structuur van het netwerk zodanig te wijzigen dat de (kortere) regionale verplaatsingen niet meer op het autosnelwegennetwerk, maar op een eigen netwerk (stelsel) kunnen worden afgewikkeld. Dit kan door een beperkt deel van het huidige regionale wegennetwerk op te waarderen, waardoor het als een apart, samenhangend verkeersnetwerk, naast het autosnelwegennet gaat functioneren.

En wat met de vraag of een beter regionaal netwerk niet alleen méér verkeer gaat genereren, het zogenaamde aanzuigeffect? Indien een nieuwe, verbrede of verbeterde weg onmiddellijk weer volloopt, was het wellicht ook hoognodig om hem aan te leggen. Dit betekent immers dat die ogenschijnlijk nieuwe stromen al elders in het netwerk zaten. Vaak in de vorm van sluipverkeer met alle lokale overlast en onveiligheid van dien. Het aanzuigen en kanaliseren van een verkeersstroom daar waar hij hoort en waar hij beter bediend en gecontroleerd kan worden, is dan een duidelijke winst.

Tot slot nog dit: het is een evidentie dat (de capaciteit van) het wegennet niet oneindig kan groeien. Alleen al door de schaarste aan ruimte. FEBIAC pleit ook niet voor meer wegen, meer beton. Het komt er op neer om een beperkt aantal manifest ontbrekende schakels weg te werken én in te zetten op optimalisatie van het wegennet gekoppeld aan capaciteitsmanagement en kwaliteitsvolle multimodale oplossingen. En wie capaciteitsmanagement zegt, zegt onvermijdelijk ook de slimme kilometerheffing voor alle motorvoertuigen, ter vervanging van de huidige, vaak forfaitaire belastingen op autobezit.