VOKA ziet het mobiliteitsbudget niet voor iedereen

Werkgeversorganisatie VOKA blijft voorstander van een bedrijfswagen. Het is immers het gebrek aan goede weginfrastructuur dat mee de huidige mobiliteitsproblemen veroorzaakt en niet zozeer de bedrijfswagen. Volgens de organisatie hebben beleidsmakers onvoldoende middelen ingezet om de problemen op te lossen.

VOKA wil de bedrijfswagenstrategie van de ondernemingen beschermen. Die is immers fiscaal voordelig voor hen. Toch wil de werkgeversorganisatie met een open blik zoeken naar alternatieven. Als de bedrijfswagen voor te veel partijen een doorn in het oog is, wil VOKA wel een mobiliteitsbudget bespreken dat werknemers mogen spenderen aan zowel wagens, fietsen als aan een abonnement op het openbaar vervoer.

En-en-verhaal

Op die manier wordt het mobiliteitsbudget een en-en-verhaal. Dat budget is voor VOKA wel niet voor iedereen weggelegd. Heel wat bedrijven hebben immers een car-policy waarin ze vermelden wie al dan niet recht heeft op een bedrijfswagen, een voorrecht dat moet blijven bestaan volgens de werkgeversorganisatie.

Bij VOKA stellen ze dan ook voor om het huidige leasebudget één op één over te brengen naar het mobiliteitsbudget. Enige conditio sine qua non het moet kostenneutraal blijven voor ondernemers.

Ook een mogelijke kilometerheffing moet, bij normaal gebruik, kostenneutraal zijn voor de werknemer. Mensen die de spits niet kunnen mijden, mogen dus niet meer kosten hebben dan voorheen. VOKA is daarom van mening dat bij de invoering van dergelijke heffing de belastingen moeten verminderen. Het gevolg hiervan is dat mensen die de spits wel kunnen ontlopen de facto goedkoper uitkomen. Op die manier kan een deel van de mobiliteitsknoop ontward worden volgens de werkgeversorganisatie.

Falende mobiliteitsvoorzieningen

Het geld van die heffing moet dan wel geïnvesteerd worden in infrastructuur, hetgeen nu niet gebeurt. Zo levert de kilometerheffing op vrachtwagens Vlaanderen jaarlijks 300 miljoen euro op. Slechts een derde daarvan wordt gebruikt voor een verbetering van de bestaande infrastructuur en maar liefst 180 miljoen gaat naar de staatskas. De regering had nochtans beloofd alle inkomsten van de kilometerheffing naar infrastructuurwerken zouden gaan.

En dat laatste is weldegelijk nodig volgens VOKA. Openbaar vervoer is in België immers kostelijk en zeer moeilijk te organiseren door de typische lintbebouwing. Hierdoor moet je de verschillende openbare vervoersmodi op elkaar afstemmen, iets wat veel tijd in beslag neemt. Tot dan is het nodig een minimum aan mobiliteitsvoorzieningen aan te bieden. Als dat niet gebeurt, fnuik je immers een mogelijke economische groei.

Grote verkeersassen zoals die van Luik naar Antwerpen hebben bijvoorbeeld al 65 jaar dezelfde dimensionering met twee rijvakken. Ze zijn dus niet meegegroeid met de rest van het land, hetgeen vandaag voor problemen zorgt. VOKA bewijst haar stelling met de budgettering van de mobiliteit in België. Vorig jaar vloeide amper 2,4 procent van het BBP naar wegeninfrastructuur. Dat is zowat 1 miljard euro, een wereld van verschil met de 5,9 miljard die Nederland voorziet.

Kijken naar het buitenland

De werkgeversorganisatie hekelt niet alleen het gebrek aan middelen, ze verwijt beleidsmakers ook een tekort aan visie. VOKA geeft daarbij het voorbeeld van Brussel. Het gebrek aan visie zorgt vandaag voor mobiliteitsproblemen in de stad.

Er is immers geen alternatief gecreëerd, in tegenstelling tot bijvoorbeeld  Parijs. In de lichtstad wil men voor 2030 ongeveer 200 kilometer tunnels aanleggen om de verschillende luchthavens te verbinden. Met deze oplossing haal je heel wat vrachtwagens van de snel- en ringwegen van de Franse hoofdstad.