Zeven zaken die u moet weten over het vervoerplan voor bedrijven in Brussel

In afwachting van een federaal mobiliteitsbudget komt de Brusselse regering met een nieuw vervoerplan voor bedrijven. Ziehier de antwoorden op de vragen die u zich kan stellen.

1. Is een vervoerplan verplicht  ?

Sinds 2004 moeten bedrijven die meer dan 200 werknemers tewerkstellen op eenzelfde site in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verplicht een bedrijfsvervoerplan (BVP) indienen. Sinds 2011, werd die eis uitgebreid naar bedrijven met meer dan 100 werknemers op eenzelfde site. Sinds 2011 bevat het BVP verplichte maatregelen en moet het om de 3 jaar worden bijgewerkt

Op federaal niveau geldt een gelijkaardige verplichting: werkgevers die meer dan 100 personen tewerkstellen zijn verplicht een diagnostiek op te maken van de woon-werkverplaatsingen, en dat voor alle sites met meer dan 30 werknemers. Een deel van de informatie is gemeenschappelijk voor beide verplichtingen.

2. Heeft een BVP positieve gevolgen voor de mobiliteit?

Deze verplichting geldt voor een 550-tal sites en om en bij de 300.000 werknemers (37% van de Brusselse tewerkstelling). De analyse van de gegevens in de BVP’s wijst op een positieve evolutie op het vlak van duurzame mobiliteit: het aandeel van de auto in de bedrijven in kwestie is van 45% in 2005 teruggevallen naar 37,6% in 2011 en bedroeg nog 35,4% in 2014.

3. De Brusselse regering heeft het BVP aangepast. Op wie is het van toepassing ?

Het is verplicht voor bedrijven in het Brussels gewest met meer dan 100 werknemers en 10 bedrijfswagens op dezelfde plaats.

4. Wat houdt het plan concreet in ?

De bedrijven moeten aan werknemers die reeds een bedrijfswagen hebben alternatieven bieden: een tussenkomst in de kosten voor openbaar vervoer, een mobiliteitspakket of een fiets. De bedoeling van het nieuwe vervoersplan is om het gebruik van de bedrijfswagen voor woon-werkverkeer te ontmoedigen zonder te raken aan het voordeel dat werknemers krijgen.

5. Gaat het om een echte verplichting ?

De vraag voor alternatieve mobiliteit moet altijd van de werknemer komen en dan is het aan de werkgever om er al dan niet positief gevolg aan te geven. Het budget dat wordt toegekend aan andere vormen van mobiliteit komt niet bovenop het budget van een bedrijfswagen, het moet er van afgetrokken worden.

6. En wat als er minder dan 10 bedrijfswagens zijn in mijn bedrijf ?

Het Brusselse arrest voorziet ook verplichtingen voor bedrijven met een vloot van meer dan vijf voertuigen. In dat geval speelt de Ecoscore (een milieuscore voor auto’s) ook een rol. Hier maken de Brusselse autoriteiten een onderscheid tussen bedrijfswagens en dienstwagens.

  • Indien het bedrijf over een wagenpark van meer dan 5 bedrijfswagens beschikt, dan moet ze over een procedure beschikken waardoor rekening gehouden wordt met de Ecoscore bij de keuze van nieuwe voertuigen. Het bedrijf moet minstens om de 3 jaar de gemiddelde Ecoscore berekenen en die invullen op een formulier.
  • Hetzelfde scenario geldt voor een bedrijf dat over een wagenpark van meer dan 5 dienstvoertuigen beschikt. Het bedrijf moet bovendien ook aangeven wat de doelstellingen zijn op het vlak van verbetering van de gemiddelde Ecoscore en de keuze voor elektrische voertuigen, alsook andere doelstellingen die erop gericht zijn de milieu-impact van zijn wagenpark te verkleinen, zoals het terugdringen van het aantal gereden kilometers of het uitbreiden van het park met dienstfietsen.

7. Waarom is dit vervoerplan niet van toepassing vanaf 1 bedrijfswagen?

Er wordt gekozen voor een drempel van 5 voertuigen omdat kleinere wagenparken te weinig vernieuwd worden: de eis om een procedure in te stellen lijkt dan vaak buitenproportioneel.

Deze drempel bestrijkt evenwel 99% van de voertuigen (37.916 op 38.334), maar slechts 332 bedrijven, in de plaats van de procedure op te leggen aan alle 474 bedrijven met een eigen wagenpark (de huidige verplichting).

Anders gezegd, men geeft een ‘vrijstelling’ aan 30% van de bedrijven in kwestie terwijl de milieu-impact gelijkaardig blijft.