Exclusief | Hoe ziet het mobiliteitsbudget eruit dat nu naar de Kamer wordt gestuurd?

De regering stuurt deze week zijn wetsontwerp over de mobiliteitsvergoeding naar de Kamer, het doel is al een tijdje hetzelfde: de wet in voegen laten treden op 1 januari 2019. Ondertussen werd de tekst wel gedeeltelijk aangepast om rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State. Hoe precies, lees je hieronder.

Het is al algemeen geweten: het mobiliteitsbudget steunt op drie pijlers, een werknemer kan vrij één of meerdere pijlers kiezen.

Pijler 1: een ecologisch verantwoorde bedrijfswagen

en/of

Pijler 2:  het gebruik van alternatief en duurzaam vervoer, ook bepaalde kosten verbonden aan wonen in de buurt van de werkplaats komen daarvoor in aanmerking

en/of

Pijler 3: de uitbetaling van het resterend budget in cash geld, met een speciale bijdrage van 38,07 in het geval van de baas van de werknemer, oftewel de som van de sociale bijdragen van werkgever (25%) en werknemer (13,07%)

Wijzigingen in pijler 1

Onder een ecologisch verantwoorde wagen, verstaan we

  • een elektrische wagen
  • een wagen die
    1. niet meer dan 95 gram CO2 per kilometer uitstoot
    2. die op zijn minst aan de Euronorm voor nieuwe voertuigen voldoen of een latere norm.
    3. in het geval van plug-in hybrides moet de batterij minstens een capaciteit van 0,5 kWh hebben per honderd kilo die de wagen weegt.

De regering voorziet wel een uitzondering voor wagens die einde reeks zijn. Het wetsontwerp dat naar de Kamer wordt gestuurd, verwoordt het zo: “in het voorkomende geval, is de waarde bedoeld in 1), 2) en 3) ten minstens gelijk aan die van het voertuig waarover de werknemer beschikte.” Daarvoor heeft de regering volgende uitleg: “zonder deze uitzondering bestaat het risico dat veel concessiehouders, op het moment dat de emissienormen verstrengen, hun stockwagens niet langer verkocht krijgen.”

Ten gevolgen van een opmerking van de Raad van State preciseert de regering ook hoe het gaat verifiëren of een werkgever recht heeft op een bedrijfswagen en met welke gebruiksmodaliteiten rekening moet gehouden worden:  “Het geldende bedrijfswagenbeleid van een onderneming kan blijken o.m. uit de functieomschrijvingen en dito loonvoorwaarden bij vacatures, het algemeen van toepassing zijnde HR-beleid in de onderneming, de car policy en desgevallend de individuele arbeidsovereenkomsten.”

Wijzigingen in pijler 2

Onder pijler 2 valt het gebruik van alternatief en duurzaam vervoer, oftewel zachte mobiliteit (fietsen val alle aard en motorfietsen die niet sneller gaan dan 45 km/u, tenzij ze volledig elektrisch zijn), openbaar vervoer (waaronder waterbussen), collectief georganiseerd vervoer, gedeeld vervoer (waaronder taxis en andere verhuurdiensten met chauffeur) en huisvesting.

De regering voegt trouwens nog een scenario toe aan het hoofdstuk “gedeeld vervoer”: de huur van wagens zonder chauffeur voor een maximum van 30 kalenderdagen per jaar. Op die manier denkt de wetgever aan de praktische noden van de werknemer (een wagen om op vakantie te gaan, om te verhuizen, voor een weekendje weg, …)

U herinnert zich vast dat de Raad van State niet akkoord was met een keuze van de regering: de integratie van huurgelden of hypotheekrente (niet de terugbetaling van kapitaal) voor werknemers die een woonst hebben binnen de 5 km (in vogelvlucht) van hun werkplaats. “Waarom 5 km en geen 6”, was de redenering bij de Raad van State.

De regering blijft bij haar standpunt en verklaart haar keuze: “Deze straal van 5 km wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om een realistische perimeter vast te stellen waarbinnen de betrokken werknemer naar zijn werkplek kan reizen met andere vervoermiddelen dan zijn persoonlijke auto. Deze afstand van 5 km zorgt dus voor een toenadering die zowel effectief als efficiënt is in termen van mobiliteit. Aangezien het niet de bedoeling was om alle verplaatsingen van de werknemers te financieren, maar alleen die welke hen dichter en efficiënter bij hun werkplek brachten, moest deze keuze voor een straal van 5 km worden gemaakt.”

Wie heeft recht op het mobiliteitsbudget?

Enkel werknemers die effectief beschikken over een bedrijfswagen of ervoor in aanmerking komen, kunnen de keuze voor het mobiliteitsbudget maken. Onder die laatste categorie verstaan we werknemers die een functie uitoefenen waarvoor normaal een bedrijfswagen is voorzien binnen de politiek die de werkgever voert.

“We moeten ons afvragen wat de werknemer die in aanmerking komt voor een bedrijfswagen zal inruilen, opdat hij een mobiliteitsbudget krijgt”, laat de regering weten in de verklaring van haar motieven.

Twee scenario’s:

  • oftewel krijgt de werknemer die recht heeft op een bedrijfswagen een maandelijks budget (meestal onder de vorm van een leasingformule), of een jaarlijks budget (in geval van aankoop)
  • oftewel kan de werknemer kiezen tussen verschillende modellen op een lijst die opgesteld werd door de werkgever.

In beide gevallen wordt het mobiliteitsbudget berekend op basis van de bedrijfswagen die de werknemer zou hebben gekozen. Dat wil zeggen dat de werknemer een fictieve bedrijfswagen moet kiezen om het exacte bedrag van het mobiliteitsbudget dat hem wordt toebedeeld te kennen.

De verklaring van de regering preciseert deze gedachtegang: “Een deel van het loon kan niet worden geherkwalificeerd (…) De toekenning van een mobiliteitsbudget mag niet gepaard gaan met een inlevering van loon.” De inlevering van een deel van het salaris tegen een wagen (zoals dat het geval is bij bij een cafetariaplan), geeft dus geen recht op een mobiliteitsbudget.

Indien de bedrijfswagenpolitiek geen wagen voorziet op basis van functie, maar op basis van andere criteria (zoals bijvoorbeeld anciënniteit), dan gaat het om individueel toegekende bedrijfswagens. In dat geval vervalt het recht op een mobiliteitsbudget voor de werknemer.

De werknemer heeft geen recht (meer) op het mobiliteitsbudget in de volgende gevallen: 

  • Vanaf het moment dat hij een functie uitoefent waarvoor geen bedrijfswagen voorzien is
  • Indien hij een mobiliteitsvergoeding ontvangt
  • Indien zijn wagen niet aan de criteria van pijler 1 beantwoordt
  • Indien hij over verschillende bedrijfswagens bij dezelfde werkgever beschikt

Schrijf u nu in op FLOW, de wekelijkse e-letter van FLEET.be!