Externe kost transportmodi: het verrassende kneusje

Telkens er persberichten verschijnen over hoeveel fiscale opbrengsten de auto genereert voor de overheid, wordt er gecounterd door mobiliteitsspecialisten met de externe kosten. Maar wat zijn die? Daaronder verstaat men wat de samenleving betaalt voor ongevallen, luchtvervuiling, de uitstoot van broeikasgassen, geluidshinder, verkeerscongestie en schade aan de omgeving.

De EU wil in de toekomst nog meer het principe van de gebruiker/vervuiler doortrekken in zijn transportstrategie. Daarom bestelde de Europese Commissie een studie bij zeven onafhankelijke onderzoeksbureaus, waaronder het vermaarde Nederlandse CE Delft, om de belangrijkste transportmodi in kaart te brengen. Op basis van die resultaten berekende men in hoeverre de gebruiker zelf opdraait voor de kostprijs van zijn verplaatsing.

Auto veroorzaakt meeste kosten maar …

De onderzoekers ramen de externe kosten van het personenvervoer in de 28 EU-lidstaten op 685 miljard euro, waarvan het grootste deel (625 miljard) door het wegtransport wordt veroorzaakt (cijfers 2016).

Als het gaat over de externe kosten die verschillende transportmodi veroorzaken, zijn er gelijklopende trends in alle EU-lidstaten. Er zijn evenwel grote verschillen in welke mate de gebruiker betaalt voor die externe kosten, via belastingen, zoals bijvoorbeeld accijnzen op brandstoffen of andere heffingen. Dat zien we bijvoorbeeld in België, waar de fiscale opbrengsten in 2018 door verschillende fiscale ingrepen met 1,1 miljard stegen tot 20,7 miljard euro.

Autobestuurders betalen 51% van de kosten die hun wagengebruik veroorzaakt. Bij de treinreizigers is dat 16%.

Kijken we terug naar het Europese plaatje, dan tonen de resultaten van het onderzoek dat personenwagens veruit het meeste geld aan de samenleving kosten. Maar ze zorgden in 2016 ook voor de hoogste fiscale opbrengsten: 267 miljard euro in totaal voor de EU. Daarmee dragen autobestuurders zelf ongeveer de helft (51%) van de kosten die hun wagengebruik veroorzaakt.

Dat cijfer is bij de treinreizigers met 16% opvallend lager. Van alle transportmodi veroorzaken hogesnelheidstreinen het minst overlast. Een passagier een kilometer met een hogesnelheidstrein vervoeren, kost de samenleving gemiddeld maar 1,3 eurocent, berekenden de onderzoekers. Ter vergelijking: voor benzine- en dieselwagens is dat respectievelijk 17,1 en 18,1 cent per reizigerskilometer.

Ook geëlektrificeerde treinen komen goed uit de vergelijking met het wegvervoer. Maar daar staat tegenover dat het spoor veel meer investeringen vergt dan wegtransport. Infrastructuur inrichten voor treinen is (per kilometer) zo’n tien keer duurder dan wegen bouwen voor wagens. Vandaar allicht de 16% kosten die treinreizigers zelf maar betalen voor hun verplaatsing. Vooral de vaste investeringskosten, voor de aanleg van sporen, lopen hoog op, maar eenmaal de sporen er liggen, daalt de kostprijs om extra treinen te laten rijden snel.

En het kneusje is …

De studie komt ook tot de – ietwat verrassende – conclusie dat de slechtste leerling van de klas de gemotoriseerde tweewieler is. Aan de congestie dragen motorfietsen en scooters niet of nauwelijks bij maar ze kosten de samenleving meer geld dan eender welk ander vervoermiddel door ongevallen, lawaai en luchtvervuiling. In totaal liep het kostenplaatje in 2016 in de EU op tot 41 miljard externe kosten. Motorrijders draaien daardoor slechts voor een vijfde van de werkelijke verplaatsingskosten op. Per reizigerskilometer kosten ze 33,4 cent aan de samenleving en dat is met voorsprong de slechtste score.

Schrijf u nu in op FLOW, de wekelijkse e-letter van FLEET.be!