Planbureau voorspelt 5% elektrische auto’s tegen 2030

Politici zetten zwaar in op elektrische auto’s. Zo stemde het Europese Parlement onlangs een uitstootvermindering van 20% voor nieuwe auto’s en bestelwagens tegen 2025 en 40% tegen 2030. Daarvoor zal een ultrasnelle opmars van de elektrische wagen nodig zijn. En die is volgens het Planbureau niet realistisch in ons land. Toch is er ook een “maar” …

Het Federaal Planbureau – dat zijn voorspellingen doet op basis van heel wat statistische data – ziet tegen 2030 maar een aandeel van 5% voor 100% elektrische wagens in het totale Belgische wagenpark en 12% tegen 2040. Hybrides – die een verbrandingsmotor met een elektrische aandrijving combineren – zouden tegen 2030 wel al goed zijn voor 31% marktaandeel en 12% daarvan zouden plug-in hybrides zijn. De andere milieuvriendelijke alternatieven zoals CNG en waterstof zullen volgens het Planbureau marginaal blijven.

Als we de voorspelling van het Planbureau voor waarheid nemen, dan betekent dit dat verbrandingsmotoren ook in de toekomst een belangrijk marktaandeel zullen blijven opeisen. Zo gewaagt het Planbureau van een marktaandeel van 63% in 2030 en 57% in 2040. Nog verrassender: diesel zou zelfs weer populairder worden dan benzine. 34% diesel vs. 29% benzine in 2030 en 29% vs. 28% 10 jaar later. Het lijkt er dus op dat er een grote kloof gaapt tussen de politieke ambitie en de wil van de burger om mee te gaan in het elektrische verhaal.

Klopt dit wel?

Hoewel we de geloofwaardigheid van het Planbureau niet in twijfel trekken, blijven het natuurlijk wel voorspellingen. Zo zag het Planbureau de sterke daling van de dieselmarkt vorig jaar niet aankomen. De voorspelling was immers dat de zelfontbrander nog een marktaandeel van 40% zou hebben … maar dat was uiteindelijk maar 35%. De verhoogde accijnzen op diesel, de invoering van Lage Emissie Zones en de bezorgdheid over lage restwaardes deden veel consumenten kiezen voor benzine of hybride.

Waar het Planbureau wel een punt heeft: minder dan 1% van de auto’s in België zijn vandaag elektrisch. Je kan daarvoor een veelheid aan factoren aanhalen: autonomiestress, te hoge aankoopprijs, te weinig laadpalen, twijfel over de restwaarde, … Het ecologische argument lijkt voor de gemiddelde consument minder belangrijk dan het economische.

Maar wat vooral speelt: het aanbod van betaalbare elektrische auto’s is vandaag gewoonweg niet groot genoeg. De Audi e-tron wordt in de pers regelmatig naar voren geschoven als het Belgische elektrische paradepaardje, maar aan 82.400 euro kan je dat niet meteen een auto voor Jan Modaal noemen.

De oplossing voor het spanningsveld tussen de wil van de politieke wereld om de uitstoot naar beneden te halen en wat financieel haalbaar is voor de burger moet dus eigenlijk van de automobielindustrie komen. Op dat vlak ziet het er eigenlijk vrij rooskleurig uit. Nog dit jaar, maar vooral vanaf 2020, mogen we een echte “elektrificatiegolf” verwachten met heel wat nieuwe elektrische modellen die op de markt komen. Die zou ervoor kunnen zorgen dat de pessimistische inschatting van het Planbureau naar de prullenmand mag.

Daarnaast mag je de technologische evolutie ook niet onderschatten. Vooral op het vlak van batterijtechnologie staat er heel wat te gebeuren met o.a. de introductie van “solid state” batterijen (zonder vloeistoffen). Deze beloven kortere laadtijden en een autonomie tot 1.000 km. In die context lijkt iedere voorspelling over al dan niet elektrisch rijden over een langere termijn dan 5 jaar niets meer dan een “educated guess”.

Niettemin: in zelfs de meest optimistische scenario’s lijkt het erop dat er de komende jaren een mix zal zijn van aandrijfvormen. Europa kan het hard spelen door elektrische auto’s op te dringen. De vraag is echter of de burger – die eerst naar zijn budget kijkt en pas dan naar ecologie – daar een boodschap aan heeft. Europa wordt dikwijls een democratisch deficiet verweten. Beslissingen waarbij geen rekening wordt gehouden met wat de burgers echt willen en vooral wat voor hen financieel haalbaar is. In die context is de vraag naar betaalbare elektrische auto’s nijpender dan ooit.


Heeft de politiek zijn hand overspeeld?

Is het een goed idee dat de overheid de burger technologische keuzes oplegt? Met fiscale instrumenten kunnen ze dat perfect. De verhoogde accijnzen op diesel hebben hun effect niet gemist. We kopen meer auto’s met benzinemotoren maar dat heeft dan weer tot gevolg dat de globale CO2-uitstoot de afgelopen twee jaar gestegen is.

Dat lijkt op een flagrant gebrek aan (technische) dossierkennis van overheidswege. Ook het verketteren van de diesel is ondertussen buiten alle proporties. De regio’s roepen om ter luidst dat ze de diesel gaan bannen met steeds meer Lage Emissie Zones maar gaan volledig voorbij aan de kwaliteiten van de jongste generatie diesels (Euro 6d-Temp). Deze zijn behoorlijk ecologisch en je kan er perfect de LEZ van Antwerpen mee binnen tot 2030.

Het is allang geen en-enverhaal meer, maar een elektrische dictatuur. Zelfs al zit er een foutenmarge van 50% op de voorspellingen van het Planbureau, dan nog ziet ieder logisch denkend mens dat verbrandingsmotoren nog niet aan het einde van hun latijn zijn. Meer zelfs: om de ambitieuze doelstellingen van 40% minder emissies te halen tegen 2030 lijkt de moderne diesel zelfs onmisbaar.

Ondertussen profileert de Vlaamse regering zich groener dan groen door zich achter een groepsaankoop voor elektrische wagens te scharen. Dat kunnen we dan klasseren onder “profileringsdrang”, wat meestal in contradictie is met een langetermijnvisie.

Schrijf u nu in op FLOW, de wekelijkse e-letter van FLEET.be!