Pr. Dooms: “The company car debate and beyond”

Dooms-webHet begon onder de titel “Bedrijfsmobiliteit en fiscaliteit” en vervolgens werd het “Sustainable Enterprise Mobility” en nu heeft het nog een andere naam. We hebben het over de leerstoel van BSI (Brussels Studies Institute, een samenwerking tussen de drie Brusselse universiteiten ULB, VUB en Université Saint-Louis) die de invloed wil meten van de bedrijfswagen en van de alternatieven ervoor op de mobiliteit en de duurzaamheid in dit land. Aan het roer van deze leerstoel staan de professoren Joost Vaesen (BSI) en Michael Dooms van de VUB. FLEET sprak met professor Dooms.

De titel van de leerstoel is ondertussen al een paar keer van naam veranderd. Hoe gaat hij nu officieel heten?

Michael Dooms: “Omdat het taalneutraal moest zijn, hebben we voor het Engels gekozen en we wilden in de titel ook aangeven dat het om de bedrijfswagen gaat binnen de grotere context van mobiliteit. En zo zijn we bij ‘The company car debate and beyond’ terechtgekomen.”

Wat is de bedoeling van deze leerstoel?

MD: “Er bestaat nu al een discussie over de bedrijfswagen, maar die is zeer gefragmenteerd en komt meestal neer op een dovemansgesprek tussen de voor- en tegenstanders. Ik denk dat de verschillende stakeholders daarmee elkaar geen dienst bewijzen. En ook op politiek vlak is er duidelijk behoefte aan een langetermijnvisie. Het is tijd om samen te kijken waar we common ground kunnen vinden. Objectieve cijfers en feiten die als voorzet kunnen dienen voor een langetermijnvisie en hopelijk een structureel beleid. We zullen daarbij kijken naar de belangen van iedereen, niet alleen van de auto- en leasingsector. We kunnen ook het speelveld niet open laten aan de kabinetten die dan op 1-2-3 een bepaald beleid moeten ineenflansen. In het Belgische politiek bestel met coalitieregeringen en overheidsniveau’s is het sowieso moeilijk om een goed beleid op lange termijn te maken.”

Ligt het feit dat we een geregionaliseerd land zijn niet aan de oorzaak van een versnipperd fiscaal beleid rond de bedrijfswagen?bedrijfswagen-web

MD: “Ik ben eigenlijk niet akkoord met die stelling. Je kan die regionalisering zien als bron van alle problemen en in je loopgraven blijven zitten maar het hoeft zo niet te zijn. Er zijn genoeg voorbeelden in het buitenland waar verschillende overheden en deelstaten een bevoegdheid  hebben over fiscaliteit en toch nog tot een gemeenschappelijk beleid komen dankzij overleg.”

Objectivering van het debat … welke zaken staan met stip op uw lijst?

MD: “Bijvoorbeeld het verschil tussen een bedrijfswagen en een salariswagen. Daar circuleren allerhande cijfers over maar die stemmen nooit met elkaar overeen. Die willen we alleszins al juist definiëren: de kenmerken, het ownership, de aantallen, … Eens we die hebben, kunnen we al meer gefundeerde uitspraken doen en er ook onderzoeken op uitvoeren. We gaan niet alles opnieuw moeten doen. Er bestaan al cijfers van andere onderzoeken. Vanzelfsprekend gaan we die ook bekijken en zien in hoeverre ze bruikbaar en objectief zijn.”

U zei daarnet dat u zal kijken naar de belangen van iedereen, maar Renta, Febiac en Traxio financieren voor een groot deel deze leerstoel. Roept dat niet meteen een zweem van partijdigheid op?

MD: “Ik besef wel dat er zo een perceptieprobleem ontstaat, maar dat is niet eigen aan deze leerstoel. Er zijn nog leerstoelen hier op de VUB – waarvan er nog enkele lopende zijn trouwens – waarbij er financiering gebeurt door rechtstreeks betrokken partijen, bijvoorbeeld de PPS leerstoel (nvdr: Publiek Private Samenwerking) die door banken en advieskantoren wordt gefinancierd. Dat neemt niet weg dat de resultaten daarvan geaccepteerd zijn door een brede vertegenwoordiging binnen de maatschappij. Alles hangt samen met de governance die wordt opgezet. De financierende partijen zijn voor één derde vertegenwoordigd in de stuurgroep, wat het belangrijkste beslissingsorgaan is van het project. Dan nog één derde maatschappelijke spelers: werkgevers, werknemers, milieufederaties, openbaar vervoermaatschappijen en overheden. En ten slotte vier onafhankelijke deskundigen vanuit de academische wereld.”

Denkt u dat iedereen bereid zal zijn om af te stappen van zijn dogma’s?

MD: “Het klopt alleszins dat er heel wat wantrouwen is tussen wat ik gemakshalve de pro’s en contra’s zal noemen. En het is niet eenvoudig om ze rond de tafel te krijgen terwijl ze elkaar al tien jaar lang in de media en op allerhande fora met vanalles bestoken. Maar het is de enige manier om tot een sereen debat te komen en kennis te creëren. Een belangrijke doelstelling van die leerstoel is dus ook om een klimaat van vertrouwen te creëren. De stereotiepen van de ijzervreters versus de groene Taliban, die moeten we echt achter ons laten.”

DSC_1401-optimizedDe tegenstanders klampen zich al jaren vast aan de 4 miljard euro subsidie aan de bedrijfswagen uit een OESO-rapport. Is dat volgens u een correct cijfer?

MD: “De OESO heeft als denktank een predicaat van onafhankelijkheid en wetenschappelijkheid en ik trek de competentie van die mensen niet in twijfel. Maar de OESO heeft ook een eigen agenda en eigen beleidsdoelstellingen. Het is dan wel een transnationale organisatie maar ze is niet geheel vrij wat betreft het formuleren van beleidsaanbevelingen. Mijn persoonlijke ervaring met de OESO wijst erop dat deze denktank tevens als instrument vanuit overheden en andere belanghebbenden wordt gebruikt  om het beleid te beïnvloeden. De OESO is een huis met vele kamers en de studie naar de bedrijfswagens is gevoerd vanuit de milieutak van dat huis. De cijfers zijn wat ze zijn, maar ik vind het onrustwekkend dat tegenstanders van de bedrijfswagen zeggen dat het allemaal wetenschappelijk en peer-gereviewed is. Dat is dus niet zo. En die perceptie wil ik bestrijden met cijfers en feiten die wel onafhankelijk en wetenschappelijk zijn. Wat niet wil zeggen dat het cijfer de realiteit niet zou kunnen benaderen, maar laten we dat samen verder onderzoeken en valideren.”

De leerstoel loopt over een periode van 4 jaar, moeten we ook zo lang wachten op resultaten?

MD: “Nee, we gaan regelmatig updates geven over onze (deel)onderzoeken. In een eerste stadium moeten we bepalen waar de belangrijkste uitdagingen inzake kenniscreatie. Zaken die we echt moeten weten, de fundamenten. Daar willen we graag volgende zomer al over communiceren.”