[DOSSIER] CO2-bijdrage: waar is de RSZ mee bezig?

Eind 2014 kon u op FLEET.be lezen dat de RSZ de controle op de CO2-bijdrage ging opvoeren ten gevolge van een analyse van het Rekenhof, die daarbij een aantal onregelmatigheden vaststelde.

Wanneer een werkgever een voertuig ter beschikking stelt van een werknemer voor andere dan louter beroepsdoeleinden, moet hij een solidariteitsbijdrage storten aan de RSZ waarvan het bedrag is gekoppeld aan de uitstoot en aan het type brandstof van dat voertuig.

“Deze bijdrage is ongeveer gelijk aan een derde van de sociale bijdragen die die werkgever zou moeten betalen voor een loonsverhoging die overeenstemt met de cataloguswaarde van het voertuig gespreid over de gemiddelde gebruiksduur ervan”, berekende het Rekenhof.

In 2014 gaf het Rekenhof enkele aanbevelingen voor de inning van deze bijdrage.

Wat is er twee jaar later veranderd?

Aanbeveling 1: de nodige stappen blijven zetten bij de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke levenssfeer (Privacycommissie) opdat de RSZ toegang zou krijgen tot de gegevens van de DIV en van de FOD Financiën, zoals wettelijk is bepaa
ld sinds 2005.

De technische invoering van het nieuwe kanaal voor de overzending van de gegevens wordt opnieuw vertraagd door problemen met persoonsgegevens. Ten opzichte van de situatie in 2015 hebben de inspecteurs van de RSZ niet langer toegang tot de gegevens van de DIV, zelfs niet voor specifieke, gerichte onderzoeken.

Inmiddels worden de gegevens van de DMFA en die van de DIV al vier jaar niet meer met elkaar vergeleken. Bijgevolg daalden de bedragen van de gecorrigeerde bijdragen en van de sancties die de RSZ oplegt.

Het bedrag van de correcties verminderde met 1.426.893 euro in 2012 en met 314.953 euro in 2015. De sancties daalden met 4.100.850 euro in 2012 tot 571.152 euro in 2015 (gegevens van de directie Inning van de RSZ). De geïnde CO2-bijdragen blijven bovendien dalen. Ze verminderden van 250,7 miljoen euro in 2012 tot 221,5 miljoen euro in 2015.

Dat bedrag ligt lager dan de jaarlijkse begrotingsdoelstelling die de regering bij de hervorming van 2005 had vooropgesteld (256 miljoen euro aan bijdragen heffen voor minstens 300.000 voertuigen). De ontvangen bijdragen blijven afnemen, hoewel het aantal voertuigen dat bij de RSZ aangegeven wordt, stijgt (in 2015 gemiddeld 420.185 voertuigen per trimester).

Aanbeveling 2: Maatregelen treffen om de knelpunten te verhelpen bij de identificatie van werkgevers die gebruik maken van operationele leasing en het aantal voertuigen te bepalen dat tot een vloot behoort.

Het Rekenhof stelt geen enkele verbetering vast ten opzichte van de opvolging in 2015. De RSZ heeft nog steeds niet het nodige gedaan om de gegevens van Renta te verkrijgen (over geleasede voertuigen) totdat de Kruispuntbank van de voertuigen operationeel wordt.

In 2016 kan de RSZ dus nog steeds niet het geheel aan werkgevers identificeren die hun werknemers bedrijfsvoertuigen ter beschikking stellen via operationele leasing (ingeschreven op naam van de leasingvennootschap).

In 2006 erkende de RSZ nochtans dat die gegevens van essentieel belang waren voor de goede inning van de CO2-bijdrage. In zijn initiële audit stelde het Rekenhof bovendien een belangrijk verschil vast tussen het aantal voertuigen die toebehoren aan vennootschappen die bekend zijn bij de FOD Mobiliteit en Vervoer en het aantal voertuigen dat onderworpen is aan de CO2-bijdrage.

Net zoals bij zijn opvolging in 2015 stelt het Rekenhof in 2016 vast dat de RSZ op basis van zijn controles, waarvan de methode ongewijzigd bleef, er nog steeds niet zeker van is dat dat verschil uitsluitend wordt verklaard door de voertuigen die tot een vloot behoren (voertuigen voor strikt professioneel gebruik), die niet onderworpen zijn aan de solidariteitsbijdrage.

Aanbeveling 3: Als grote verschillen blijken uit de kruising van gegevens van de DFMA en van de DIV, nagaan of de uitzondering op het wettelijk vermoeden van het privégebruik van het voertuig door de werknemer gerechtvaardigd is.

Zoals bij zijn opvolging in 2015 stelt het Rekenhof vast dat de RSZ dergelijke verschillen niet systematisch kan opsporen omdat de gegevens van de DMFA en van de DIV niet met elkaar gekruist worden.

 

Aanbeveling 4: Het uitwisselen van informatie met de FOD Financiën organiseren over de voordelen van alle aard in de vorm van voertuigen, om de nietaangegeven voertuigen of incoherenties in de DMFA’s op te sporen.

Bij de opvolging in 2015 had de RSZ verklaard stappen in die zin te hebben ondernomen in het kader van een totaalproject voor het uitwisselen van informatie met de FOD Financiën. In 2016 wordt geen enkele einddatum gepreciseerd voor het project. De RSZ heeft echter tijdelijk de toestemming gekregen om gegevens uit te wisselen met de FOD Financiën.

Aanbeveling 5:De controles opdrijven op basis van een risicoanalyse.

Bij de opvolging in 2015 kondigde de RSZ aan dat een ‘werkgeversprofiel’ zou worden opgemaakt in een context van voorspellende analyse. Dat een voertuig niet wordt aangegeven en/of de CO2-bijdrage niet wordt betaald, zal als parameter fungeren en meespelen om dat profiel te bepalen. In 2016 duurde het opstellen van het werkgeversprofiel nog steeds voort.

Aanbeveling 6: Een protocol sluiten zodat de RSZ toegang krijgt tot de gegevens van de DIV (die niet langer via een andere weg beschikbaar zullen zijn) en van Renta, wanneer de Kruispuntbank van de voertuigen operationeel zal zijn.

Er werd nog geen protocol gesloten.

Aanbeveling 7: De wettelijkheid herzien van de administratieve instructie 2014/02, die afwijkt van de wet tot invoering van een CO2-bijdrage wanneer het voertuig dat ter beschikking van de werknemer wordt gesteld, een utilitair voertuig is.

Sinds 1 september 2015 kan dankzij een bepaling het onderscheid worden gemaakt tussen gewone en utilitaire voertuigen171. De zogenoemde utilitaire voertuigen, die beantwoorden aan de definitie van lichte vrachtauto’s in de zin van artikel 65 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, vallen zo niet onder de solidariteitsbijdrage, behalve in het geval van privégebruik.

Het privégebruik van een utilitair voertuig wordt niet verondersteld, maar kan niettemin worden vastgesteld door de inspectiediensten.

Die bepaling werd meer dan een jaar na de administratieve instructie 2014/02 van kracht. In oktober 2015 erkende de RSZ te kampen te hebben met een problematiek van valse utilitaire voertuigen (zoals luxe 4×4’s)172. Hij belastte een werkgroep met de behandeling van deze problematiek. Op 30 juni 2016 was nog geen enkele keer vergaderd.

Om te voorkomen dat valse utilitaire voertuigen worden vrijgesteld van de CO2-bijdrage, beveelt het Rekenhof de RSZ aan de gegevens over de identificatie van lichte vrachtauto’s te verkrijgen van de FOD Financiën.

Aan de hand van die gegevens zouden de gegevens van de DIV immers preciezer kunnen worden gemaakt door voertuigen die fiscaal gezien niet worden omschreven als lichte vrachtauto’s, uit te sluiten uit de voertuigen die als ‘utilitair’ ingeschreven zijn (bijvoorbeeld op basis van de scheiding tussen de passagiersruimte en de laadruimte voor de goederen).

Het Rekenhof herinnert eraan dat het de RSZ is toegestaan van de FOD Financiën (directe belastingen) alle informatie te ontvangen op basis waarvan de CO2-bijdrage kan worden geïnd.

Aanbeveling 8: De wijze van aangifte van de bijdragen herzien en vereenvoudigen door ze te vervangen door een automatische berekening per voertuig in de DMFA.

Die automatisering zou de controle vergemakkelijken en incoherente bedragen voorkomen. In 2016 (administratieve instructie 2016/02) is er nog steeds geen automatische berekening van de bijdrage per voertuig.

Aanbeveling 9: Gezien de complexe situatie van de solidariteitsbijdrageen het aantal actoren, deze wettelijke regeling evalueren om ze te toetsen aan de beoogde doelstellingen.

Het systeem voor de vermindering van de sociale bijdragen werd nog niet geëvalueerd. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in 2014 dat de CO2-sanctie die van toepassing is op de werkgevers die nalaten de CO2-bijdrage aan te geven, van strafrechtelijke aard is, gezien de grootte ervan.