Gedeelde mobiliteit bij bedrijven: VBO maakt de balans op

Tussen 20 juni en 30 augustus 2017 peilde het VBO in een enquête bij 262 Belgische werkgevers naar hun ervaringen met en mening over gedeelde mobiliteit. Omdat die staal niet representatief is voor de Belgische bedrijfswereld, zijn de resultaten louter indicatief.

Carpooling

Hoewel bijna 38% van de bevraagde werkgevers maatregelen neemt om carpooling aan te moedigen, botsen ze bij het promoten ervan op enkele hindernissen. Want bijna 55% van de werkgevers in kwestie ondervindt problemen door de flexibele of glijdende werkuren van hun medewerkers.

Bijna 35% onder hen slaagt er niet in hun werknemers te winnen voor carpooling en meer dan 30% van de respondenten klaagt over de administratieve rompslomp die komt kijken bij het organiseren van carpooling. De resultaten van de diagnostiek woon-werkverkeer tonen duidelijk aan dat carpooling er sinds 2005 op achteruit is gegaan. Daarnaast blijft het als verplaatsingswijze te weinig zichtbaar.

Uit de enquête blijkt niettemin dat carpooling aan tastbare noden tegemoetkomt, zoals een lagere bezettingsgraad van de bedrijfsparking, een betere toegankelijkheid van de vestiging en de beperking van CO2-uitstoot. Dergelijke pijnpunten zullen in de toekomst waarschijnlijk aan belang winnen door de toenemende verkeerscongestie en een groeiend milieubewustzijn. Voor de werknemers is carpooling bovendien financieel erg interessant.

Carsharing

Zowat 35% van de ondervraagde werkgevers zegt maatregelen te nemen om carsharing – deelwagens die geen eigendom zijn van de werknemers gebruiken voor beroepsgebonden verplaatsingen – een duwtje in de rug te geven.

30% onder hen gebruikt poolwagens en 7% doet een beroep op een externe carsharingdienst. Ten eerste valt op dat carsharing bij de meesten (56%) tegemoetkomt aan een praktische bekommernis, namelijk een daling van de kosten voor beroepsgebonden verplaatsingen. Motivaties betreffende leefmilieu of human resources komen op de tweede plaats. Ten tweede ondervinden de ondernemers bij het organiseren van carsharing, in tegenstelling tot bij carpooling, geen grote problemen.

De grootste moeilijkheid (geen wagen beschikbaar) valt op te lossen als er een toereikende kritische massa wordt gehaald. Ook de administratieve complexiteit van carsharing is een vaak voorkomend probleem. Maar carsharingdiensten werken aan ‘sleutel-op-de-deur’-oplossingen om het de ondernemingen gemakkelijker te maken. Een interessante vaststelling is tot slot dat bedrijven die hun werknemers een bedrijfswagen aanbieden terughoudender zijn om aan carsharing te doen.

Beide fenomenen zijn nochtans niet incompatibel, want heel wat respondenten stellen tegelijk bedrijfswagens en een carsharingdienst voor. Hiermee kunnen ze medewerkers bijvoorbeeld aanmoedigen om hun wagen te laten staan voor hun woon-werkverplaatsing, terwijl ze toch een wagen ter beschikking hebben voor eventuele beroepsmatige verplaatsingen.

Aanbevelingen

De werkgevers gaven ook aan welke maatregelen in hun ogen gedeelde mobiliteit een duw in de rug kan geven in de bedrijfswereld. Maatregelen i.v.m. fiscaliteit en multimodaliteit werden het vaakst aangehaald. Zo moet volgens meer de helft van de respondenten ingezet worden op een vereenvoudiging van het fiscaal/parafiscaal kader voor de verschillende verplaatsingswijzen en op een kader voor het mobiliteitsbudget.

Naar aanleiding van dit onderzoek worden een aantal beleidsaanbevelingen geformuleerd:

– Het is belangrijk om het fiscaal/parafiscaal kader voor de verschillende verplaatsingswijzen te harmoniseren, met name via een regelgevend kader voor het mobiliteitsbudget.
– Het is essentieel om het inrichten van carpooling te flexibiliseren en te faciliteren, zodat de praktijk kan inspelen op de groeiende flexibiliteit in de verplaatsingen en de werkuren, en op de
nood aan intermodaliteit.
– Zowel carpooling als carsharing moeten beter bekend worden gemaakt.
– Er moeten oplossingen worden gevonden om de bedrijfswagen te verzoenen met carsharing.
– Het verdient aanbeveling om co-modale infrastructuur te ontwikkelen om de overstap op een systeem van deelverplaatsingen te faciliteren en de zichtbaarheid van oplossingen inzake gedeelde mobiliteit te verhogen.

Nicolas Coomans, mobiliteitsexpert van het VBO: “Het mobiliteitsbudget wordt momenteel besproken op IKW-niveau. Het VBO pleit voor een snelle goedkeuring door de ministerraad en een parlementaire behandeling tegen eind dit jaar, zodat de wetgeving in 2019 in werking kan treden. Gedeelde mobiliteit moet deel uitmaken van dit mobiliteitsbudget. Bedrijven zijn immers vragende partij voor meer instrumenten die een antwoord bieden op de fileproblematiek in ons land.”

Ontdek de volledige studie van het VBO hier!

Schrijf u nu in op FLOW, de wekelijkse e-letter van FLEET.be!